Jordan Peterson: 12 regels voor het leven. Uitgebreide bespreking.

Een jaar lang keek ik dagelijks colleges van Jordan Peterson, een Canadese psycholoog die inzichten uit de filosofie, psychologie, theologie, mythologie, wereldgeschiedenis en literatuur naadloos met elkaar verbindt. Centraal staat de vraag: hoe moet je leven?

Friedrich Nietzsche, Carl Gustav Jung, Aleksandr Solzjenitsyn en Fjodor Dostojevski zijn de hoofdrolspelers. Peterson combineert hun ideeën met moderne inzichten uit de biologie en neurowetenschappen. Hij doet dit zo goed dat ik na ieder college de neiging krijg te applaudisseren.

12 regels voor het leven Jordan PetersonOm zijn ethiek toegankelijker te maken voor een breed publiek heeft hij een boek uitgebracht: 12 regels voor het leven: een remedie tegen chaos (bij Bol kopen). Hierin heeft hij zijn denkbeelden gedestilleerd tot twaalf regels.

‘Regels? Maar dat is toch niet van deze tijd?’ vraag je je misschien af. Ja, regels. Het is een normatieve ethiek. Hij schrijft werkelijk voor wat bijdraagt aan een betekenisvol bestaan, gebaseerd op wetenschappelijke en filosofische inzichten. Mij heeft hij flink aan het denken gezet en mijn leven positief veranderd. Daarom schijn ik graag mijn licht op zijn twaalf regels.

De komende tijd zal ik alle twaalf de regels bespreken. Hieronder volgen vast de eerste zeven.

Inhoudsopgave

Regel 1 / Sta rechtop, met je schouders naar achteren
Regel 2 / Behandel jezelf als iemand voor wiens zorg je verantwoordelijk bent
Regel 3 / Sluit vriendschap met mensen die het beste met je voorhebben
Regel 4 / Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met wie iemand anders vandaag is
Regel 5 / Laat je kinderen niet iets doen waardoor je de pest aan ze krijgt
Regel 6 / Zorg dat je huis op orde is voordat je kritiek spuit op de wereld
Regel 7 / Streef na wat betekenisvol is (niet wat opportuun is)
Regel 8 / Vertel de waarheid, of lieg in ieder geval niet.
Regel 9 / Ga ervan uit dat degene naar wie je luistert iets weet wat jij niet weet
Regel 10 / Wees precies in wat je zegt
Regel 11 / Laat kinderen die skateboarden hun gang gaan
Regel 12 / Aai een kat wanneer je er eentje tegenkomt op straat

[Invouwen]

Inleidende opmerkingen

De regels. Uiteindelijk draait het niet écht om de regels. Ze zijn veelal een begin- of eindpunt van een gedachtegang. Zonder de gedachtegangen zijn de regels weinig meer dan clichés, vandaar dat ik die hele gedachtegangen bespreek.

Andere denkers. In de tekst staan verwijzingen naar ideeën die aansluiten of contrasteren met de ideeën van Peterson. Deze verwijzingen zijn veelal van mijn hand, bedoeld om te laten zien hoe zijn denken zich verhoudt tot die van anderen.

Kanttekeningen. Deze bespreking is niet slechts een samenvatting van het boek. Alhoewel ik gecharmeerd ben van  een deel van Petersons ideeën en sommige passages ronduit briljant vind, vliegt hij hier en daar uit de bocht. Daarom plaats ik wanneer nodig kanttekeningen, waarin ik mij kritisch verhoud tot de gepresenteerde gedachtegang.

Alle twaalf de regels

Abonneer je op de maandelijkse nieuwsbrief en hoor wanneer de andere regels zijn verschenen.

Regel 1
Sta rechtop, met je schouders naar achteren

Mini-samenvatting

Dit hoofdstuk gaat over kreeften. (En over hoe we daar meer op lijken dan we beseffen.) Ze leven in dominantiehiërarchieën, net als wij. Degenen aan de top hebben verreweg het meeste (voedsel, vrouwtjes, schuilplaatsen, etc.), net als degenen aan de top in onze wereld.

Ongelijkheid is dus een fundamenteel onderdeel van de natuur. Dit betekent niet dat ongelijkheid geen probleem is, alleen dat de oorzaken dieper liggen dan onze sociale structuren – en dus niet louter de schuld is van kwaaie kapitalisten. Kreeften hebben al ongelijkheid!

Net als kreeften zijn we ons van onze status bewust. Sommigen bungelen onderaan de dominantiehiërachie. Door tegenslag raken ze in een zelfversterkende negatieve cirkel. Zij ervaren meer stress, worden vaker ziek en hebben minder partnerkeuze.

Klote, dus. Wat te doen? Rechtop staan, zowel metaforisch als letterlijk.

[Invouwen]

Het voorgerecht: de kreeft

Wat gebeurt er als je werkelijk verloren hebt? Je druipt af. Ineenkruipen na een nederlaag, wij doen het, maar wij waren niet de eersten. Petersons protagonisten van het eerste hoofdstuk, kreeften, deden het 350 miljoen jaar geleden al. Ter vergelijking: 65 miljoen jaar geleden waren er nog dinosaurussen.

Peterson beschrijft hoe kreeften op de bodem van de zee leven. Goede verstopplekken zijn schaars, maar van levensbelang. Tijdens verkenningstochten stuiten kreeften soms op elkaar. Wat ontstaat is een dominantiestrijd. De kreeft:

begint rond te dansen als een bokser, waarbij hij zijn scharen opent en weer dichtklapt, achteruit beweegt, voorwaarts beweegt, zijwaarts beweegt en zich, met open scharen heen en weer zwaaiend, aan zijn tegenstander spiegelt. Tegelijkertijd spuit hij bijzondere straaltjes vloeistof vanuit vaatjes onder zijn ogen naar zijn tegenstander. Die vloeistof bevat een mengsel van chemicaliën die de andere kreeft informeren over zijn grootte, sekse, gezondheid en stemming.

Soms werkt de boksersdans en de chemische uitwisseling van informatie de-escalerend. Eentje trekt zich terug. Soms niet. Peterson beschrijft hoe de strijd dan intensiveert. Klauwen zwaaien in het rond. Trekt niemand zich terug? Escalatie. Ze proberen elkaar op de rug te leggen. Lukt dit niet of geeft de verliezer nog niet op? Nog verdere escalatie. Nu wordt het ware strijd waarin een of beide kreeften heftig, of wellicht dodelijk, gewond zal raken.

Interessant is wat er met de verliezer gebeurt na zo’n heftige strijd:

Een verslagen tegenstrever verliest soms wel voor dagen zijn zelfvertrouwen. Soms kan de nederlaag zelfs nog ernstigere gevolgen hebben. Als een dominante kreeft een zware nederlaag heeft geleden, dan lost zijn brein in feite op. Vervolgens groeit er een nieuw onderworpen brein – een brein dat beter past bij deze nieuwe nederigere positie. Het oorspronkelijke brein is eenvoudigweg niet ontwikkeld genoeg om de transformatie van heer en meester tot ondergeschikte te volbrengen zonder nagenoeg volledige desintegratie en vernieuwing. Iedereen die wel eens een pijnlijke transformatie heeft meegemaakt in zijn liefdesleven of carrière kan misschien wel enigszins meevoelen met het eens zo succesvolle schaaldier.

Het zijn hormonen die dit gedrag veroorzaken, dezelfde hormonen die een cruciale rol spelen in het managen van onze gemoedstoestand. Sterker nog, Peterson wijst op een opmerkelijk onderzoek dat laat zien dat het toedienen van antidepressiva verslagen kreeften opvrolijkt en strijdbaar maakt.

De dominantiesoep: de winnaar neemt het allemaal

Vanaf hier maakt Peterson de denkbeweging naar ongelijkheid. Winnende kreeften staan bovenaan de dominantiehiërarchie en hebben het goed voor elkaar:

Het duurt niet zo lang voordat kreeften elkaar op de proef hebben gesteld en weten met wie ze de confrontatie aan kunnen gaan en om wie ze met een wijde boog heen moeten lopen – en zodra ze dat weten, wordt de daaruit voortspruitende hiërarchie steeds stabieler. Als een kreeft eenmaal heeft gestreden en als winnaar uit de bus is gekomen, hoeft hij alleen maar op een dreigende manier met zijn voelsprieten te wiebelen, en een voormalige tegenstander zal voor zijn ogen in een zandwolkje verdwijnen. Een zwakkere kreeft zal zijn pogingen staken, zijn lagere status accepteren en zo zijn ledematen sparen. De topkreeft daarentegen – die het beste onderkomen bezet houdt, comfortabel kan uitrusten, van een goed maal kan genieten – etaleert zijn gezag door parmantig door zijn territorium te schrijden en ondergeschikte kreeften ’s nachts in hun schuilplaats te storen, alleen maar om ze te laten voelen wie er de baas is.

De succesvolle kreeften hebben een onevenredige hoeveelheid schuilplaatsen en aanbidders. Ze hebben bijna alles. Volgens Peterson hebben vrouwelijke kreeften het selectieproces van het kiezen van een geschikte partner uitbesteed aan de mannetjes. Zij mogen het uitvechten en de vrouwtjes werpen zich aan de voeten van degenen die er bovenuit steken.

Zulke dominantie hiërarchieën spelen volgens Peterson een cruciale rol in evolutie:

Dat betekent dat hiërarchieën in dominantie een essentieel permanent onderdeel van de omgeving zijn waaraan alle complexe levensvormen zich hebben aangepast. Een derde van een miljard jaar geleden waren breinen en zenuwstelsels relatief eenvoudig. Niettemin hadden ze al de structuur en de neurochemie die noodzakelijk zijn om informatie over status en maatschappij te verwerken. Het belang van dat feit kan nauwelijks worden overschat.

Het hoofdgerecht: de mens

Ook bij mensen speelt de dominantiehiërachie een cruciale rol. 1% van de bevolking heeft evenveel rijkdom als de onderste 50%.

Als het om geld gaat, kennen we dit soort statistieken allemaal. Maar – en dit is een cruciaal punt – volgens Peterson geldt dit niet alleen voor geld:

Hetzelfde brute principe van ongelijke verdeling geldt buiten het financiële domein–inderdaad, overal waar creatieve productie nodig is. De meerderheid van wetenschappelijke artikelen wordt gepubliceerd door een hele kleine groep wetenschappers. Een kleine fractie van de muzikanten produceert vrijwel alle commerciële muziek. Slechts een handvol auteurs verkoopt alle boeken. Anderhalf miljoen verschillende titels worden ieder jaar in de Verenigde Staten verkocht. Echter, slechts vijfhonderd hiervan verkopen meer dan honderdduizend exemplaren.

Dit principe wordt soms ook wel Price’s law genoemd, of the Matthews Principle. Degenen die veel hebben zullen meer krijgen, degenen die minder hebben minder. Volgens Peterson is ongelijkheid in onze samenleving dus niet louter het gevolg van sociale constructies, van het kapitalisme, maar inherent aan de natuur. Ongelijkheid nemen we al waar bij kreeften: het bestond 350 miljoen jaar geleden al.

Zo zien we ook dat vrouwen, net als hun kreeftelijke tegenhangers, de mannen het laten uitvechten. Topsporters, musici, kunstenaars, CEO’s, de absolute toppers uit verschillende domeinen hebben de vrouwen voor het uitkiezen. Meer in Petersons termen: degenen die heersen in de dominantiehiërarchie worden beloond.

Kantekening: begaat Peterson hier een drogreden?

Het is verleiding te denken dat Peterson hier de zogenaamde naturalisatic fallacy begaat. Deze houdt kort gezegd in dat uit wat is (ongelijkheid), kan worden afgeleid wat zou moeten zijn (ongelijkheid?).

In dit geval zou Peterson de volgende drogreden maken:

  1. Hij stelt dat kreeften ongelijkheid hebben.
  2. Hij stelt dat wij net als kreeften ongelijkheid hebben.
  3. Ongelijk is dus natuurlijk volgens Peterson. (Volgt uit 1. en 2.)
  4. Ongelijkheid is dus oké volgens Peterson. (Zou volgen uit 3.)

Peterson zou het eens zijn met 1. 2. en deels met 3., maar moeite hebben met 4.

Volgens mij beschouwt hij het als volgt.

A. Ongelijkheid kunnen we niet in het geheel wegnemen, omdat het in de natuur van de mens (en andere diersoorten) zit. Iedere poging elk verschil weg te nemen veroorzaakt veel meer ellende dan het oplost. Het communisme heeft dit meermaals geprobeerd, en heeft keer op keer keihard gefaald.

B. Ongelijkheid is wel degelijk een probleem, en vooral extreme (relatieve) ongelijkheid, omdat het problemen veroorzaakt in een maatschappij. Zo zien we dat als groepen relatief extreem arm zijn ze meer geneigd zijn tot geweld, etc.

C. Dus, het is aan een maatschappij om te zorgen dat de ongelijkheid niet te groot wordt. Echter, we moeten niet proberen ongelijkheid volledig weg te nemen. Dat gaat nooit lukken.

[Invouwen]

Het grote verschil tussen kreeften en mensen is echter dat bij ons fysieke kracht onvoldoende is voor langdurige dominantie.

Kantekening: relatie met Thomas Hobbes

Dit inzicht zien we ook al terug bij de filosoof Thomas Hobbes. Hij meende dat het leven in de natuurstaat, voordat er overheden waren, bruut, naar en kort was. Geen enkel individu was sterk genoeg om drie gehaaide anderen te weerstaan, daarom zou er nooit een stabiele samenleving ontstaan en was het een oorlog van allen tegen allen, aldus Hobbes.

Peterson zou het slechts deels eens zijn met deze Hobbesiaanse analyse. Hij maakt met behulp van de wetenschappelijke studies over chimpansees van de Nederlandse primatoloog Frans de Waal het volgende punt:

Het klopt dat fysieke kracht onvoldoende is voor dominantie bij mensen, dit zien we al bij chimpansees: ‘zelfs de meest brute, despotische chimpansee kan namelijk worden neergehaald, door twee tegenstanders, ieder driekwart zo gemeen.’ Echter, dit betekent niet dat er bij primaten geen stabiele dominantie kan ontstaan, slechts dat fysieke kracht en agressie niet de belangrijkste factor is. Wat dat wel is? Het aangaan van wederkerige relaties.

[Invouwen]

Het hoofdgerecht ontleed: de interne statusmachine

Volgens Peterson dragen we allemaal een interne rekenmachine, diep in ons brein, nog primitiever  en fundamenteler dan onze gedachten en gevoelens, die onze plaats in de maatschappij bijhoudt. Dit is wat we hebben overgeërfd van de kreeften. Onze hormonen hangen samen met deze plaats. Mensen onderaan de ladder maken minder serotonine aan en zijn daardoor gevoeliger voor stress. Ze besteden meer energie aan het rekening houden met mogelijke crisissen.

Deze interne rekenmachine functioneert niet perfect. Slechte slaap- en eetgewoontes hebben negatieve gevolgen. Een ander mogelijk probleem zijn onze feedback loops. Gedrag stimuleert zichzelf:

Onze angstsystemen zijn zeer praktisch. Ze nemen aan dat alles waar je voor wegrent gevaarlijk is. Het bewijs is, natuurlijk, het feit dat je wegrende.

Neem bijvoorbeeld een man die iedere dag na werktijd door zijn baas nog een aantal uren aan het werk wordt gezet. Hij wil aan zijn baas vragen of het wat minder kan, hij krijgt er immers niet extra voor betaald. Hij heeft de vraag al weken uitgesteld en besloten vandaag op zijn baas af te stappen. Het is druk op het werk en de baas lijkt geïrriteerd. ‘Misschien morgen, ik wil hem toch niet lastig vallen,’ denkt hij. Zo heeft hij weer voor zichzelf bevestigd dat het eng is om een dergelijke vraag te stellen. Het zal de volgende keer nog lastiger zijn.

Het dessert: rechtop staan

Peterson beschrijft hoe sommigen opgroeien met de overtuiging dat iedere vorm van agressie slecht is. Ze denken dat goed zijn betekent dat je niet in staat bent iets slechts te doen. Nee, werkelijk goed zijn is volgens Peterson kwaad kunnen doen, maar kiezen om het niet te doen. Het is als het rondlopen met een zwaard, maar deze in de schede latende.

Degenen die alleen maar medelijden voor anderen tonen en zichzelf voortdurend opofferen kunnen niet voldoende agressie oproepen om voor zichzelf op te komen. Ze zijn naïef en er wordt misbruik van hen gemaakt. Ze eindigen onderaan de dominantieladder omdat ze iedere vorm van agressie hebben uitgeschakeld. Ze zijn zwaardloos. Ze zullen de ander, of nog erger, het bestaan zelf, gaan haten.

Dit is wat Peterson bedoelt met rechtop staan met je schouders naar achteren: leren voor jezelf op te komen:

Als je kunt bijten, hoeft het meestal niet. Het vermogen met agressie en geweld te reageren, zal indien op de juiste manier geïntegreerd, juist de kans dat geweld noodzakelijk is verkleinen. Als je nee zegt, wanneer de onderdrukking net begint, en je meent wat je zegt (wat betekent dat je je weigering in duidelijke termen formuleert en je achter je woorden staat) dan zal de hoeveelheid onderdrukking beperkt blijven.

Naast de metaforische betekenis bedoelt hij het letterlijk. Rechtop staan betekent je fysieke houding veranderen, we meten immers net als kreeften iemands status deel af aan uiterlijke kenmerken:

Als je houding slecht is – als je ingezakt bent, met schouders voorwaarts en gebogen , borst ingetrokken, hoofd naar beneden, klein lijkend, verslagen en onbelangrijk (beschermd, in theorie, tegen aanvallen van achteren)–dan zal je je klein, verslagen en onbelangrijk voelen. De reacties van anderen zullen dit effect versterken. Mensen, net als kreeften, meten elkaar, deels door de houding. Als jij jezelf presenteert als verslagen zullen mensen op je reageren alsof je verliest. Als je begint met rechtop staan, zullen mensen anders naar je kijken en zich anders gedragen.

Wellicht denk je, maar ik sta onderaan de ladder. Als ik mij ineens groter ga gedragen zullen anderen hun ogen op mij richten en die druk kan ik niet aan. Dat is waar, erkent Peterson. Maar er is geen alternatief. Begin klein. Leven onderaan de dominantieladder is een leven vol misère.

Je kunt maar één kant op, omhoog. Bovendien werkt je zenuwstelsel anders als je zelf de keuze maakt iets lastigs te doen, het moedwillig aangaat in plaats van wacht en wacht tot het moet. ‘Je reageert op een uitdaging, in plaats van je voor te bereiden op een ramp.’

Mensen, inclusief jijzelf, zullen aannemen dat je bekwaam bent (of ten minste niet direct het tegenovergestelde concluderen). Aangemoedigd door de positieve reacties die je ontvangt zal je minder angstig worden. Je zult het makkelijker vinden aandacht te besteden aan subtiele sociale signalen die mensen uitwisselen als ze communiceren. Je gesprekken zullen vloeiender worden, met minder ongemakkelijke pauzes. Dit maakt het waarschijnlijker dat je mensen ontmoet, met ze omgaat en een goede indruk achterlaat. Dit doen verhoogt niet alleen de kans dat goede dingen zullen gebeuren–het laat ook de dingen die gebeuren beter voelen.

In tegenstelling tot kreeften kunnen wij deze analyse maken. Wij kunnen erachter komen waarom we ons op een lage positie in de maatschappij bevinden. Wij kunnen een strategie bedenken om dit tegen te gaan. Wij kunnen het onbekende confronteren, ondanks dat het eng is. Juist omdat het eng is, is het het waard. Dus, in de woorden van Peterson: ‘Sta rechtop, met je schouders naar achteren.’

Regel 2
Behandel jezelf als iemand voor wiens zorg je verantwoordelijk bent

Mini-samenvatting

Volgens Peterson bestaat onze wereld in de meest fundamentele zin uit orde en chaos, verkend en onverkend terrein. Zo ervaren wij het leven. We zijn ons er van bewust dat wij het lijden in de wereld kunnen vergroten, meer chaos kunnen creëren in de levens van anderen.

Dit besef zorgt ervoor dat veel mensen zichzelf, en überhaupt de mens, weinig waard achten. Maar, en dit is Petersons cruciale punt, we zijn ook in staat tot het brengen van het tegendeel: het goede. Daarom loopt de lijn van goed en kwaad door ons allemaal: recht door het hart van de mens. Een ieder kan de wereld een beetje beter maken.

Hoe daarmee te beginnen? Door voor jezelf te zorgen alsof je voor iemand zorgt van wie je houdt, omdat we daar vaak beter voor zorgen dan voor onszelf.

[Invouwen]

Orde en chaos

Sinds de wetenschappelijke revolutie, beginnend met de werken van Francis Bacon en René Descartes, bekijken we de werkelijkheid vanuit een wetenschappelijke lens. Die blik probeert de wereld objectief te grijpen, vast te pinnen. Volgens Peterson was dit niet altijd zo:

Omdat we nu zo wetenschappelijk zijn – en zo vastberaden materialistisch­ – is het ontzettend moeilijk voor ons om zelfs maar te begrijpen dat een andere manier van kijken bestaat. Maar degenen die bestonden in een ver verleden, toen de fundamentele heldendichten van onze cultuur ontstonden, waren veel meer bekommerd met handelingen die betrekking hadden op overleven (en met de wereld op zo’n manier interpreteren dat overeenkomt met dat doel) dan met iets dat in de buurt komt van wat we nu begrijpen als objectieve waarheid.
Voor de komst van het wetenschappelijke wereldbeeld, werd de werkelijkheid anders uitgelegd. Zijn werd begrepen als een plaats van handelingen, niet als een plaats van dingen.

Subjectief ervaren, hoe wij de wereld zien, is veel meer als een verhaal of een toneelstuk dan een wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid. ‘Neem pijn, bijvoorbeeld­–subjectieve pijn. Dat is iets dat zo echt is dat er geen enkel argument tegenop kan.’

In onze subjectieve ervaring bestaan volgens Peterson drie elementen. De eerste is orde. De tweede is chaos. De derde is bewustzijn, datgene wat beweegt tussen orde en chaos.

Onder chaos verstaat hij onverkend terrein:

Het is de buitenlander, de vreemde, het lid van een andere gang, het geritsel in de bosjes gedurende de nacht, het monster onder het bed, de verborgen woede van je moeder en de ziekte van je kind. Chaos is de wanhoop en afschuw die je voelt op het moment dat je diep bent verraden. Het is de plek waar je eindigt als alles uit elkaar valt; als je dromen sterven, je carrière ineenstort of je huwelijk eindigt.

Oftewel, chaos is de plek die je niet begrijpt.

Orde, daarentegen is verkend terrein. Denk aan de maatschappelijke structuren en je plek daarin kennen, net zoals de kreeften hun positie kennen. ‘Orde is stam, religie, haard, huis en land. Het is de warme, veilige huiskamer waarin de haard gloeit en de kinderen spelen.’ Oftewel, de plek waar alles gaat zoals je verwacht. Waar dingen werken. We vinden het fijn daar te zijn, omdat we daar kunnen nadenken over de toekomst.

Orde, verkend terrein, kan ieder moment uiteenvallen tot chaos, onverkend terrein. Je kunt erachter komen dat je partner al jaren vreemd gaat. Je kunt je baan verliezen. De grond kan onder je voeten vandaan vallen. Ook symbolen kunnen ineenstorten, zoals de Twin Towers. Dan ontstaat er chaos: opeens begeef je je in het onbekende. Je oude manier van de wereld begrijpen voldoet niet meer.

Orde en chaos bestaan echt volgens Peterson, in de zin dat het de manieren zijn waarop we de wereld ervaren. Het zijn geen dingen, objecten. Objecten en dingen zijn onderdeel van de objectieve wereld, de wereld van de wetenschap. We ervaren de wereld allereerst in termen van betekenis. We zien dingen eerder als gereedschappen dan als objecten. Voor we iets een stoel noemen nemen we het waar als iets om op te zitten:

Chaos en orde zijn de meest fundamentele elementen, omdat iedere geleefde situatie (zelfs iedere denkbare geleefde situatie) bestaat uit beide. Het maakt niet uit waar we zijn, er zijn dingen die we kunnen identificeren, gebruiken, en voorspellen, en dingen die we niet kennen of begrijpen. Het maakt niet uit wie we zien, een Kahalarische woestijnbewoner of een bankier op Wall Street; sommige dingen liggen in onze macht, andere dingen niet.

Hoe moeten we omgaan met die orde en chaos? Intuïtief lijkt het wellicht aantrekkelijk ons volledig in de orde te willen bevinden: daar is het veilig, bekend, weten we wat er gaat gebeuren. Toch is dat volgens Peterson niet het juiste pad:

Orde is niet genoeg. Je kunt niet slechts stabiel zijn, en veilig, en onveranderlijk, omdat er altijd essentiële en belangrijke nieuwe dingen zijn om te worden geleerd. Niettemin, chaos kan te veel zijn. Je kunt niet lang overspoeld en overweldigd worden voorbij je vermogen het hoofd te bieden als je leert wat je nog moet weten. Dus, je moet je ene voet plaatsen in wat je al de baas bent en begrepen hebt en de andere in wat je momenteel verkent en onder de knie krijgt. Dan heb je jezelf zo gepositioneerd dat de terreur van het bestaan onder controle is en je veilig bent, maar waar je ook alert en betrokken bent. Dat is waar nieuwe dingen zijn om je meester te maken en manieren waarop je kunt verbeteren. Dat is waar betekenis kan worden gevonden.

Peterson analyseert het verhaal van het Hof van Eden uit het Boek van Genesis – het eerste boek uit het Oude Testament. Hierin leven ze in een ommuurde tuin. Alles lijkt perfect, veilig, voorspelbaar: orde. Tot de slang verschijnt. Deze staat volgens Peterson voor de chaos. Het maakt niet uit hoe hoog we de muren bouwen om de chaos buiten te houden, chaos weet zich in ons leven te wurmen.

Chaos kan in vele gedaanten verschijnen. Voor de letterlijke slang hoeven we in ons land niet bang te zijn, maar de metaforische is overal. Je kind kan ziek worden, of aangereden worden. Complete bescherming is onmogelijk. Kinderen van overbeschermende moeders zijn kwetsbaar, onvoorbereid op de toekomst als ze zijn. Als ze sterk zouden zijn kunnen ze de chaos, die onvermijdelijk zal komen, misschien aan, in plaats van overspoeld te worden bij de eerste tegenslag. Dit sluit mooi aan bij de denkbeelden van de Romeinse filosoof Seneca over tegenslag.

De mens: Het chaos scheppende dier

Zelfs als we alle metaforische slangen van buiten hebben uitgesloten, onze hekken hoog genoeg gebouwd hebben, ons opgesloten hebben in een gevangenis, zouden we toch niet veilig zijn. Het is in ons mensen, en dit inzicht ontleend Peterson aan de Russiche schrijver Aleksandr Solzhenitsyn, waar de lijn tussen goed en kwaad loopt. Recht door het hart de mens zelf. Dat is waarom geen enkele muur het kwaad definitief buiten de deur zal houden.

We zijn met niemands capaciteit tot kwaad zo goed bekend als die van onszelf. Anderen zijn wellicht lelijk, schaamtevol, bang, waardeloos, defensief en wijzen voortdurend met hun vingertje, maar in onszelf herkennen we die slechte kanten als bij geen ander:

Je weet zoveel meer over jezelf. Je bent slecht, zoals andere mensen je kennen. Maar alleen jij kent de volledige omvang van je geheime zondes, onvolmaaktheden en tekortkomingen. Niemand is meer bekend met alle manieren waarop je geest en lichaam gebrekkig zijn.

Bewust van onze eigen tekortkomingen: volgens Peterson is dit een van de redenen waarom veel mensen moeite hebben voor zichzelf te zorgen. Ze hebben het gevoel dat ze het niet waard zijn. Mensen zijn zelfs beter in staat medicatie aan hun huisdieren te geven dan aan henzelf. ‘Een hond, een ongevaarlijk, onschuldig, onbewuste hond, verdient het duidelijk meer.’ Zo redeneren we dan.

Wat is het verschil tussen een mens en een hond? Honden kunnen ook vals zijn, jagen, dieren vermoorden en opeten. Wat dat betreft verschillen we weinig. Maar wij mensen zijn ons bewust van ons gedrag en er daarmee verantwoordelijk voor. Honden niet.

Waarom niet? Het is simpel. In tegenstelling tot ons hebben roofdieren geen begrip van hun eigen fundamentele zwakheid, hun eigen fundamentele kwetsbaarheid, hun eigen onderwerping aan pijn en de dood. Maar wij weten precies hoe we pijn kunnen worden gedaan, en waarom. Dat is een van de beste definities van zelfbewustzijn. We zijn ons bewust van onze weerloosbaarheid, eindigheid en sterfelijkheid. Wij kunnen pijn ervaren, schaamte, afschuw, van onszelf walgen, en we weten het. Dat is wat ons laat lijden. We weten hoe vrees en pijn ons kan worden aangedaan – en dat betekent dat we precies weten hoe we het anderen moeten aandoen.

[…]

We kunnen en maken dingen slechter, vrijwillig, met de volledige kennis van wat we doen.

Dat is waarom we volgens Peterson concepten hebben van Goed en Kwaad, met hoofdletters. We zijn als enige dieren in staat anderen te laten lijden omwille van het lijden. Ik interviewde ooit een jongen die zijn kat vegetarisch opvoedde, omdat deze een terreur is voor muizen. Het verschil tussen ons en die kat is volgens Peterson dat die kat geen begrip heeft van het lijden van de muis. Hij heeft geen begrip van Goed en Kwaad. Mensen wel. Wij kunnen een ander doelbewust laten lijden en zijn daardoor verantwoordelijk voor onze handelingen.

Misschien kom je daardoor tot de conclusie dat de mens iets is dat beter niet had kunnen bestaan. Dat de natuur zonder mensen beter is, waarin slechts de onschuldige brutaliteit van dieren bestaat. Dat de mens als kanker op aarde is, de wereld plundert en tiranniseert, en daarom beter kan sterven, zoals ook filosoof Theo Scholling meent.

Vanuit zulke gedachten zijn wij minder dan niets waard. En dan vinden we het vreemd dat we moeite hebben om voor onszelf te zorgen.

De mens: degene die chaos kan transformeren tot orde

Met zo’n blik – de mens als plunderaar, brenger van het lijden – doen we onszelf te kort. Het is goed om te realiseren dat je de wereld een slechtere plek kunt maken: door chaos te creëren, maar we moeten daarmee niet in de pessimistische valkuil trappen en denken dat de mens een kankergezwel op aarde is die alleen maar lijden veroorzaakt. Dat is slechts het halve verhaal.

De andere helft van het verhaal is dat we het lijden, dat inherent is aan het bestaan, aan de natuur, ook kunnen verzachten, wegnemen of er in ieder geval ervoor zorgen dat er niet nog meer ellende om ons heen ontstaat. We zijn in staat tot het Goede. Dat is zorgen voor een geliefde en medicijnen geven aan je hond. Daar mogen we trots op zijn:

Haat jegens jezelf en jegens de mensheid moet in evenwicht worden gebracht met dankbaarheid voor traditie en de staat en verwondering over wat gewone, alledaagse mensen bewerkstelligen – om nog maar te zwijgen van de verbluffende wapenfeiten van de ware uitblinkers.

Wij verdienen enig respect. Jij verdient enig respect. Jij bent even belangrijk voor andere mensen als voor jezelf. Jij hebt een onmisbare rol te spelen in het zich ontwikkelende lot van de wereld. Daarom ben je moreel verplicht goed voor jezelf te zorgen. Je moet jezelf verzorgen, helpen en bijstaan, net zoals je iemand zou verzorgen, helpen en bijstaan die je bemint en bewondert.”

Het gaat er volgens Peterson om jezelf de volgende vraag te stellen: “Hoe zou mijn leven eruit zien als ik werkelijk voor mijzelf zou zorgen?” Die weg geeft richting, voorkomt dat je hatelijk wordt en het leven veracht, gaat denken dat bewustzijn een fout is.

Zoals een van mijn favoriete filosofen, Friedrich Nietzsche, ooit zo briljant schreef: “Hij wiens leven een waarom heeft kan bijna iedere hoe dragen.” Betekenis, dat is het antwoord op de chaos die onvermijdelijk verbonden is met het bestaan. Dat is ook het antwoord waar Viktor Frankl op kwam in Auswitzsch. Zelfs de meest vreselijke plek kun je nog slechter maken, of een klein beetje beter.

Iedereen is in staat het leven een beetje dragelijker maken, voor zichzelf, en voor de anderen. Dat is volgens Peterson het juiste pad: chaos omtoveren in orde. In de woorden van Peterson:

Je kunt helpen de wereld richting te geven op zijn voortdenderende pad, een beetje meer richting Hemel, een beetje verder weg van de Hel. Als je de Hel eenmaal hebt begrepen, hebt verkend, om zo te zeggen – vooral je eigen individuele Hel –, dan kun je besluiten er niet heen te gaan of die te creëren. Je kunt een andere richting kiezen. Je kunt in feite je leven eraan wijden. Dat zou je een Doel geven, met een hoofdletter D. Dat zou je erbarmelijke bestaan rechtvaardigen. Dat zou je zondige aard goedmaken, en je schaamte en zelfonderschatting vervangen door de natuurlijke trots en het onwrikbare vertrouwen van iemand die opnieuw heeft geleerd met God door het Paradijs te gaan.

Je zou kunnen beginnen met jezelf te behandelen alsof je iemand was voor wiens zorg je verantwoordelijk bent.

Regel 3
Sluit vriendschap met mensen die het beste met je voorhebben

Mini-samenvatting

Waarschijnlijk ken je wel iemand waarvan je veel verwachtte, maar wiens leven een hel is geworden. Ze zijn in een negatieve zelfversterkende spiraal geraakt en sleuren iedereen om zich heen mee naar beneden. Deels wordt dat veroorzaakt doordat ze de verkeerde vrienden hebben. Deels zijn zij zelf die verkeerde vrienden.

Dergelijke losers helpen is niet eenvoudig. Ten eerste, omdat het niet altijd duidelijk is of je de ander werkelijk wilt helpen. Je mag er niet naïef van uitgaan dat je intenties altijd goed zijn. Ten tweede willen ze vaak niet geholpen worden. Ze willen de ander alleen maar deel maken van hun ellende. Dit soort vrienden dien je te lozen wil je zelf niet deel worden van hun misère.

In plaats daarvan dien je volgens Peterson vrienden te worden met mensen die het beste met je voor hebben. Die hun leven verbeteren, voor zichzelf en jou het beste willen. Met hen wil je vrienden worden, zodat jullie elkaar positief kunnen stimuleren.

Op het einde maak ik nog een kanttekening: hoe zit het met alle vrienden die daartussenin zitten? Wiens leven geen hel is maar die het wel best vinden?

[Invouwen]

Losers: de verkeerde vrienden

Jordan Peterson vertelt hoe hij is opgegroeid in een vreselijk koud dorp in Alberta. Dronkaards sneuvelden ’s nachts op straat in de winter en de poezen misten delen van hun oren en staarten. Als tiener viel er nauwelijks wat te beleven en iedereen die hoop had op een toekomst wist al vanaf zijn twaalfde dat die weg wilde.

Hij had daar twee jeugdvrienden, van wie je als kind verwachtte dat ze iets van hun leven gingen maken. Ze waren intelligent, grappig en knap, maar hun leven werd een hel. Ze werden cynisch, gingen met verkeerde vrienden om en raakten verslaafd aan alcohol en drugs. Het is een zelfversterkende negatieve spiraal waarvan de precieze volgorde onduidelijk is. Alle factoren werken op elkaar in. Eén van de twee pleegde rond zijn dertigste zelfmoord.

We kennen denk ik allemaal van dit soort mensen. Vol potentie, maar hun leven wordt een en al misère. Peterson vraagt zich af hoe dat heeft kunnen gebeuren:

Was het onvermijdelijk – een gevolg van hun eigen beperkingen, opkomende ziektes en trauma’s uit het verleden? Mensen verschillen immers wezenlijk op manieren die zowel structureel als deterministisch zijn. Mensen verschillen in intelligentie, wat voor een groot deel het vermogen is om te leren en te transformeren. Mensen hebben ook heel verschillende persoonlijkheden. Sommigen zijn actief en anderen passief. Sommigen zijn onrustig, anderen zijn kalm. Tegenover iedere persoon die gedreven is om iets te bereiken staat een ander die lui en gemakzuchtig is.

Eenduidige conclusies kun je niet trekken. Wat je wel kunt constateren is dat dit soort mensen vaak een laag zelfbeeld hebben. Wellicht is dat deels de oorzaak dat ze vrienden om zich heen verzamelen die net zo naar de klote zijn:

Het is deels voorbeschikt. Het is deels onvermogen. Het is deels… onwil om er lering uit te trekken? Weigering om er lering uit te trekken? Beredeneerde weigering om er lering uit te trekken?

Een loser helpen: wat zijn je intenties?

Soms word je vrienden met een loser omdat je denkt dat je hem of haar kunt helpen. Volgens Peterson komen zulke gedachtes soms voort uit naïviteit. ‘Het is niet eenvoudig het verschil te zien tussen iemand die werkelijk hulp wilt en nodig heeft en iemand die slechts de willende helper gebruikt.’

Soms is het geen naïviteit, maar zelfs een narcistische wens waardoor je besluit een loser ‘te helpen’. Als ultiem voorbeeld haalt Peterson Aantekeningen uit het ondergrondse aan, een boek dat iedereen zou moeten lezen, van een van mijn favoriete schrijvers, Fjodor Dostojevski (naar wiens boek de idioot deze website is vernoemd). De hoofdpersoon, een ultiem cynische man, maakt zichzelf wijs zijn leven te hebben verbeterd en fantaseert dat hij een meisje kan redden uit de prostitutie. Ze trapt erin. Nadat hij met haar klaar is, is er werkelijk niets van haar over. Haar laatste greintje hoop is vernietigd.

Misschien is je wens om iemand te helpen dus helemaal niet eerlijk; is het een wens de ander net zo hard mee naar beneden te sleuren. Pas dus op, waarschuwt Peterson.

Volgens Peterson mag je er niet ondoordacht van uitgaan dat je vrienden wordt met een loser vanuit de beste intenties. Wellicht is je motivatie stiekem dat je het fijn vindt dat iemand afhankelijk van je is of kan je jezelf makkelijker als een deugdzaam mens beschouwen naast een loser. Hier is Peterson op zijn scherpst. Op geen enkel moment laat hij de lezer er onbedacht vanuit gaan dat deze al een goed mens is. Dat is te eenvoudig volgens hem. Ga maar gerust van het tegenovergestelde uit, tot je het tegendeel bewezen hebt.

Een loser helpen: ongelofelijk lastig

Wellicht heb je werkelijk goede intenties om iemand te helpen, dan nog. Het is verdraaid lastig. Voordat je iemand gaat helpen dien je erachter te komen waarom iemand in de problemen zit. Aannemen dat het louter komt door diens omstandigheden is te simpel. Bovendien vat je met die gedachte iemand op als een speelbal van de wereld, die er zelf geen enkele invloed op uitoefent. Zo ga je de ander begrijpen als iemand die geen macht kan uitoefenen op de wereld, in het verleden niet, nu niet en in de toekomst niet.

Het is veel waarschijnlijker dat een bepaald persoon juist heeft besloten de weg omhoog niet in te slaan omdat die te veel inspanning kost. Misschien zou je daar zelfs van uit moeten gaan als je met zo’n situatie wordt geconfronteerd. Dat is al te streng, denk je misschien. Je zou gelijk kunnen hebben. Misschien is het een stap te ver. Maar vergeet niet: mislukking is gemakkelijk te begrijpen. Haar bestaan vereist geen nadere toelichting. Op dezelfde manier vereisen angst, haat, verslaving, promiscuïteit, verraad en bedrog geen nadere toelichting. Het is niet het bestaan van misdaad, of het je daaraan overgeven, dat om een toelichting vraagt. Misdaad is gemakkelijk. Mislukken is ook gemakkelijk. Het is gemakkelijker om geen last op je schouders te laden. Het is gemakkelijker om niet na te denken, en niets te doen en je nergens wat van aan te trekken. Het is gemakkelijker om tot morgen uit te stellen wat vandaag moet worden gedaan en de komende maanden en jaren te verstieren door je over te geven aan goedkope pleziertjes vandaag.

Hiermee stelt Peterson niet dat het onmogelijk is om iemand te helpen, maar benadrukt hij de ongelofelijke moeilijkheid. Het ligt er ook aan hoever iemand naar beneden is gedonderd. Het is eenvoudiger iemand uit de berm te trekken dan iemand uit de put te takelen.

Bereidheid om geholpen te worden van de gevallene is in ieder geval nodig. Peterson vertelt dat de rechter soms veroordeelde criminelen verplichtte bij hem langs te komen voor gedragstherapie. Dat werkte niet. Alleen als iemand geholpen wilt worden kan je pas werkelijk een poging doen. Probeer iemand maar eens uit een gat te trekken die dat niet wilt. Haast onvermijdelijk donder je er zelf bij in. Dit soort mensen zullen volgens Peterson:

Zij zullen iemand die net met roken is gestopt een sigaret aanbieden en een alcoholist die probeert te stoppen een biertje. Zij zullen jaloers worden wanneer je slaagt of iets bijzonders presteert. Ze zullen hun handen van je aftrekken en het contact verbreken of je zelfs straffen. Ze zullen je prestatie overtroeven met iets wat zijzelf in het verleden hebben gepresteerd, werkelijk of verzonnen. Misschien proberen ze je te testen, om te zien of je wel zo stevig in je schoenen staat, om te zien of het je menens is. Maar meestal halen ze je door het slijk omdat naast jouw recente vorderingen hun tekortkomingen er nog armetieriger uitzien.

Vrienden die niet geholpen willen worden, die je meesleuren in hun val, dien je daarom volgens Peterson maar te laten gaan. Het enige wat je kunt doen is je eigen leven op orde krijgen en het goede voorbeeld geven.

Peterson eindigt dit deel met een disclaimer:

En niets hiervan is een rechtvaardiging om degenen die werkelijk in nood verkeren in de steek te laten om je benepen blinde ambitie na te jagen, voor het geval dat nog even duidelijk gezegd moet worden.

Wederkerige vriendschap

Peterson schotelt de lezer ten slotte nog een gedachte-experiment voor:

Als je een vriend hebt wiens vriendschap je niet zou aanraden aan je zus, je vader of je zoon, waarom zou je zo’n vriend dan zelf wel willen?

Hier nam ik vijf minuten pauze om deze gedachte te overdenken. Ik raad je aan hetzelfde te doen.

Mijn antwoord was: uit loyaliteit. Maar volgens Peterson is loyaliteit niet een onvoorwaardelijk gegeven:

Vriendschap is een wederzijdse afspraak. Je bent niet moreel verplicht iemand te ondersteunen die de wereld alleen maar slechte diensten bewijst. Integendeel juist. Je zou mensen moeten kiezen die dingen willen verbeteren, niet verslechteren. Het is goed en niet zelfzuchtig om mensen te kiezen die goed voor je zijn.

Peterson zegt dat als je jezelf omringt met mensen die werkelijk het beste voor je willen dat ze goed gedrag zullen stimuleren en het niet zullen pikken als je jezelf verwaarloost. Dit zijn mensen die ook het beste voor zichzelf willen. Ze willen de wereld een beetje beter maken.

Het is volgens hem niet eenvoudig je met succesvolle, positieve mensen te omringen. Nogmaals, succes is volgens hem datgene wat lastig is. Falen is eenvoudig. Maar jezelf omringen met andere mensen die opwaarts gaan is wel de manier om waardevolle wederkerige relaties aan te gaan, waarin je elkaar kunt helpen het leven een beetje beter te maken.

Oftewel, schrijft Peterson tot besluit, ‘Sluit vriendschap met mensen die het beste met je voorhebben.’

Kantekening: het schemergebied

Hij presenteert het héél zwart-wit, terwijl veel vriendschappen verkeren in het schemergebied. Als je merkt dat een vriend je alleen maar naar beneden trekt, de criminaliteit in bijvoorbeeld, dan is het beter de band te verbreken. Dat is duidelijk. Overigens is dit geen bijster nieuw inzicht – Aristoteles schreef dit vijfentwintighonderd jaar geleden al in de Ethica Nicomachae Boek IX.3.3. Als een vriend zijn geliefde net is overleden dien je hem niet in de steek te laten. Dat is eveneens duidelijk.

Maar hoe zit het met al die vrienden wiens leven niet richting de hel gaat, maar die eveneens niet bereid zijn keihard te werken om hun leven beter te maken? Zijn niet de meeste mensen veel meer zo? Tevreden met de status quo.

Allemaal nieuwe vrienden maken, die het beste met je voorhebben, zal in de praktijk altijd gevolgen hebben voor je huidige vriendschappen. Heel direct, omdat je minder tijd hebt, en minder direct, omdat je verandert.

Die oude vrienden zullen niet willen dat jij te veel verandert. Terecht, denk ik, vanuit hun perspectief. Je bent een vriendschap aangegaan met ze zoals jij toen was. Jij verandert en bent niet meer degene met wie zij vrienden zijn geworden. In die zin verliezen ze een vriend als jij te veel verandert. Je laat ze in de steek.

En waarom doe je dat? Omdat jij je leven niet goed genoeg vindt. En daarmee acht je tegelijkertijd hun leven, of in ieder geval hun vriendschap, niet goed genoeg. Jij wilt meer. Zij zijn niet genoeg.

Dit soort vriendschappen bespreekt Peterson niet. Hij doet net alsof iemand of heel duidelijk slecht voor je is, of heel duidelijk goed, maar over alles wat daar tussen in bungelt spreekt hij niet.

Dat je geen vrienden wilt zijn met zij die je naar beneden sleuren is dus duidelijk, maar al het andere is gecompliceerder dan Peterson ons voorhoudt.

[Invouwen]

Regel 4
Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met wie iemand anders vandaag is

Mini-samenvatting

In dit hoofdstuk stelt Peterson dat we voorzichtig moeten zijn in onszelf vergelijken met anderen. Zulke vergelijkingen lijden vaak tot een verkeerd zelfbeeld. Een televisiester is dan wel rijk, maar heeft misschien wel een verslaving.

Toch zijn waardeoordelen niet slecht. Sterker nog, zonder waardeoordelen kunnen we volgens Peterson niet leven. Waardeoordelen zijn datgene wat ons in staat stelt ons de oriënteren in de wereld. Het zorgt dat we van A naar B gaan.

Maar hoe zorgen we ervoor dat we niet in de nihilistische valstrik trappen: dat ons oordeel over de werkelijkheid en onszelf zo hard is dat we menen dat alles slecht is en ons leven betekenisloos?

Daarvoor moeten we een sprong wagen, net doen alsof het leven goed is, of in ieder geval dat wij het leven een stukje beter kunnen maken. Dat begint met kleine zaken, dingen die opvallen, die je wilt verbeteren, kunt verbeteren en gaat verbeteren. Zo kan je iedere dag een stukje beter worden en jezelf vergelijken met wie je gisteren was, en niet met hoe iemand anders vandaag is.

[Invouwen]

Succes

Peterson constateert dat we op steeds grotere schaal leven en concurreren. Ooit was je de sterkste van je dorp of de beste musicus. Iedereen kende je. Nu dien je op zijn minst op nationaal niveau wat voor te stellen om er bovenuit te steken.

Dit kan leiden tot een slecht zelfbeeld. In vergelijking met anderen, op deze vergrote schaal, stellen je kwaliteiten waarschijnlijk weinig voor.

Daarom komen veel psychologen (en zelfhulpboeken) met zogenaamde ‘positieve illusies’, en praten ze over dat je zelfvertrouwen moet hebben, omdat je wel veel voorstelt, ook al denk je van niet, etc.

Gadverdamme.

Peterson vindt dit een vreselijke aanpak. Het doet net alsof het leven zo slecht is dat alleen misleiding je kan redden, dat je jezelf wijs moet maken dat je heel wat voorstelt omdat je het leven anders niet aan zou kunnen.

Wat we nodig hebben is het inzicht dat zulke vergelijkingen met anderen vaak zinloos zijn:

Er zullen altijd mensen zijn die beter zijn dan jij – dat is een cliché van het nihilisme, net als de uitdrukking ‘Over een miljoen jaar ziet toch niemand meer het verschil.’ De juiste reactie op die uitspraak is niet Tja, dan doet niets er eigenlijk toe. Het is Elke idioot kan een periode bedenken waarin niets er nog toe doet. Jezelf irrelevantie aanpraten is geen degelijke kritiek op het Zijn. Het is een goedkope truc van de rationele geest.

Dit betekent niet dat we af moeten van waardeoordelen. Gebouwen kunnen slecht gebouwd worden, broodjes slecht klaargemaakt. Er zijn genoeg mensen die een potje maken van hun werk. Zelfs iets als een boterham met pindakaas smeren voor je kind. Je kunt het brood zo hard met een mes bewerken dat het scheurt en de pindakaas onevenredig in klonten verdeeld zit of het rustig uitsmeren over het gehele oppervlak. Dat laatste is beter.

Bovendien zouden we zonder waardeoordelen niets doen. Iedere activiteit gaat gepaard met een waardeoordeel: je doet iets omdat je het de moeite waard vindt, ook al ben je je daar niet altijd van bewust.

Een deel van het probleem is volgens Peterson ons woordgebruik: ‘succes’ en ‘falen’. Ze impliceren een binaire tegenstelling. Of je hebt succes; of je faalt. Dat is veel te zwart-wit voor een complexe samenleving als de onze.

Bovendien leef je in talloze verschillende domeinen tegelijkertijd. Als we vergelijken, vergelijken we vaak in slechts één domein. Dat is weinig zinvol:

Je collega blinkt op het werk meer uit dan jij. Maar zijn vrouw gaat vreemd, terwijl jouw huwelijk harmonieus en gelukkig is. Wie is er beter af? De beroemdheid tegen wie je opkijkt stapt regelmatig met een slok op achter het stuur en is een dweper. Is zijn leven echt te verkiezen boven het jouwe?Daarom moeten we voorzichtig zijn met wie we onszelf vergelijken.

Kanttekening

We dienen inderdaad voorzichtig te zijn. Dat betekent echter niet dat vergelijken met anderen zinloos is, alleen dat je niet je complete eigenwaarde ervan moet laten afhangen. Het kan wel zinvol zijn om te kijken of je talent hebt in je gekozen terrein, of dat je een ander pad dient te kiezen.

Een prachtig voorbeeld is de Calvé reclame van Pieter van den Hoogenband, ‘die echt niet kan voetballen.’ Gelukkig voor hem ging hij zwemmen.

[Invouwen]

Wat onze ogen zien

We maken volgens Peterson voortdurend waardeoordelen. We willen van A naar B. Dit heeft als voordeel dat we de staat van de wereld, of in ieder geval die van ons leven, kunnen verbeteren. Je wordt ’s ochtends wakker en voelt je vies en gaat douchen zodat je je weer schoon voelt. Je studie gaat klote en je gaat hard leren omdat je je hertentamens wilt halen.

Deze toekomstgerichtheid heeft één groot nadeel:

Omdat we altijd wat is afzetten tegen wat zou kunnen zijn, moeten we ons richten op wat zou kunnen zijn. Maar we kunnen ook te hoog mikken. Of te laag. Of te chaotisch. Dus falen we en leven we in teleurstelling, ook al denken anderen dat we het goed hebben. Hoe kunnen we profiteren van onze verbeeldingskracht, ons vermogen de toekomst te verbeteren, zonder voortdurend afbreuk te doen aan onze huidige, te weinig succesvolle en waardeloze levens?”

De eerste stap is volgens Peterson jezelf beoordelen. Als je een huis gaat kopen huur je iemand in die je wijst op de verborgen gebreken. Zo dien je dat ook te doen met jezelf. Hier kun je die interne criticus, het stemmetje dat je wees op al je tekortkomingen, inzetten. Deze zal je volgens Peterson wijzen op iets dat je in orde kunt maken, sterker nog: iets waardoor je je beter zult voelen als je dit in orde maakt. Dit kunnen hele praktische dingen zijn, zoals je kamer opruimen.

Dit klinkt wellicht eenvoudig, maar dat is het niet. Niemand kan zichzelf volledig de wil opleggen: hoe simpel zou het leven dan zijn?

Je zal moeten onderhandelen met jezelf en niet te veel van jezelf vragen. Anders word je een tiran over jezelf. En wie wil nou voor een tiran werken? Begin daarom met kleine dingen van jezelf te vragen:

Je wilt in het begin niet te veel hooi op je vork nemen, met het oog op je beperkte talenten, je neiging de boel te bedotten, je rancune en je vaardigheid in het ontlopen van verantwoordelijkheid. Dus stel je je het volgende doel: aan het eind van de dag wil ik dat de dingen in mijn leven er een pietsie beter uitzien dan vanochtend. Dan vraag je jezelf: ‘Wat kon ik doen dat dat zou bewerkstelligen en welke kleinigheid zou ik als beloning willen?’ Dan doe je wat je besloten hebt te doen, ook al doe je het slecht. Dan geef je jezelf triomfantelijk die verdomde kop koffie. Misschien voel je je een beetje belachelijk, maar doe het toch maar. En morgen doe je hetzelfde, en de volgende dag enzovoort. En elke dag wordt de ondergrens die je ter vergelijking gebruikt een stukje hoger gelegd en dat is magie. Dat is samengestelde rente. Doe dat drie jaar en je leven zal er heel anders uitzien. Nu richt je je pijlen hoger. Nu gaat geen zee je te hoog. Nu verdwijnt die balk uit je ogen en leer je te zien. En waar je je op richt bepaalt wat je ziet. Dat is de moeite van het herhalen waard. Waar je je op richt bepaalt wat je ziet.

Peterson benadrukt dit punt met het befaamde “gorilla-experiment.”

Het gorilla-experiment

Voor degenen die het niet kennen: als deelnemer aan het experiment kijk je naar een scherm met basketballers. Er wordt je gevraagd te tellen hoe vaak de mensen met het witte shirt overgooien. Dus dat ga je tellen. Probeer het voor jezelf:

[Invouwen]
De uitkomst

Naderhand wordt er gevraagd of je de gorilla hebt gezien. Er is een grote kans dat je die niet hebt gezien en dat je denkt dat je in de maling wordt genomen.

Je mag het filmpje opnieuw bekijken, nu zonder het aantal keren overgooien te tellen. Je bent nu op zoek naar de gorilla. En warempel, na ongeveer een minuut verschijnt een man in een gorillapak en danst een aantal seconden vol in beeld. ‘Hoe kan ik die de eerste keer gemist hebben?’ vraag je jezelf af.

De conclusie van dit experiment? Je ziet wat je wilt zien.

Iets uitgebreider: Wat wij waarnemen, is afhankelijk van het doel dat wij hebben. Meestal zien we maar een heel klein deel van onze blik in hoge resolutie, de rest is vager, vaak zonder dat we dat doorhebben. Dat is efficiënt, qua energieverbruik. Als iets onverwachts verschijnt, dat direct datgene wat je waarneemt belemmert, zal je het wel waarnemen. In het gorilla-experiment was de bal voortdurend zichtbaar. Zowel de spelers als de gorilla belemmerde het zicht niet en daarom bleef je als kijker bezig met nauwe doel: de hoeveelheid keren dat er werd overgegooid tellen. Daarom zag je waarschijnlijk de gorilla niet.

[Invouwen]

Wat je wilt en wat je ziet

Dit experiment gebruikt Peterson als voorbeeld voor zijn algemene punt dat hoe wij omgaan met de wereld, wat wij waarnemen, altijd doel-afhankelijk is. De wereld is zo complex dat wij lang niet alles kunnen waarnemen. Dat zou te veel van onze vermogens vragen. Daarom is het doel dat wij bepalen zo belangrijk: het bepaalt immers wat we zien.

Als het leven klote lijkt heb je misschien het verkeerde doel gesteld. Dan is het volgens Peterson tijd voor een stap terug en jezelf af te vragen hoe je leven eruit zou zien als het beter zou zijn. Je zal dit waarschijnlijk niet volledig kunnen beantwoorden. Maar er zullen ongetwijfeld kleine concrete zaken zijn waarvan je wel weet dat die het leven zouden verbeteren. Begin dan daar.

Na verloop van tijd, nadat je die zaken hebt aangepakt, zullen er wellicht betere, hogere doelen verschijnen. Je kunt er als volgt over denken:

Begin met de constatering dat we wel degelijk dingen willen – dat we ze zelfs nodig hebben. Dat ligt in de menselijke natuur. We delen ervaringen als honger, eenzaamheid, dorst, begeerte, agressie, angst en pijn. Dat zijn elementen van het Zijn – primordiale, axiomatische elementen van het Zijn. Maar we moeten die primordiale verlangens sorteren en organiseren, want de wereld is een complexe en eigenzinnig realistische plaats. We kunnen niet gewoon dat ene specifieke ding dat we nu speciaal willen opeisen, samen met wat we gewoonlijk willen, want onze wensen kunnen in conflict komen met onze andere wensen, maar ook met andere mensen, en met de wereld. We moeten ons dus bewust worden van onze wensen en die uitspreken en er prioriteiten aan toekennen en er een hiërarchie in aanbrengen. Dat maakt ze hoogwaardig. Dat maakt dat ze met elkaar samenwerken, en met de verlangens van andere mensen en met de wereld. Zo tillen onze verlangens zichzelf op. Zo organiseren ze zich tot waarden en worden moreel. Onze waarden, onze moraliteit – dat zijn indicatoren voor onze verfijning.

Ethiek en religie

Peterson keert terug naar een thema dat hij al in de regel 1 aanstipte: dat de mensheid een lange tijd in een voorwetenschappelijke wereld heeft geleefd. We leefden in wereld van waarden, niet van objecten.

Je verlangens in de juiste volgorde zetten en ze laten samengaan met die van anderen en de wereld: dat is volgens Peterson wat religie ons biedt. Religie geeft geen empirische beschrijving van de werkelijkheid, maar vertelt allereerst welk gedrag juist is.

Voor sommigen betekent religie louter gehoorzamen aan een heilig schrift. We kennen allemaal de voorbeelden van verschrikkingen waar zulke dogmatische gehoorzaamheid toe kan leiden. Vandaar dat de Verlichting kwam, samengevat in het motto van Kant: sapere aude, durf te denken. Op dat moment wordt religie iets van het individu.

Gehoorzaamheid? We wantrouwen het. Discipline? We wantrouwen het. Zelf denken, daar zou het om draaien. En zelf bedenken we dat we God niet meer nodig hebben voor een objectieve beschrijving van de werkelijkheid. We flikkeren hem en al zijn waarden buitenboord.

Maar, en dit is Petersons cruciale punt, gehoorzaamheid, discipline, datgene wat sinds de Verlichting verdacht is geworden, is wel een belangrijk begin voor een goed leven. Dat zijn we volgens hem de afgelopen jaren vergeten:

Je kunt je niet ergens op richten als je geen enkele zelfdiscipline en scholing hebt. Je zult niet weten waar je je op moet richten. En dan zul je tot de conclusie komen: ‘Er is niets om je op te richten.’ En dan ben je verloren.”

Zonder gehoorzaamheid of discipline drijf je maar wat rond. Het enige wat je kan is wijzen op zaken die slecht zijn – het bestaan zelf misschien, vanuit jouw ervaring! – maar je hebt geen enkele manier om het beter te maken.

Volgens Peterson kan je daarom niet werkelijk atheïst zijn.

Kanttekening

Met atheïst bedoelt hij niet simpelweg iemand die niet gelooft in het bestaan van God, maar iemand die uit de afwezigheid van God afleidt dat alles geoorloofd is. Ik vind de term atheïst hier ongelukkig gekozen, beter had hij gezegd nihilist: iemand die meent dat niets van waarde is, dat goed en kwaad in geen enkele vorm bestaan.

Zijn gelijkstelling van een atheïst met een nihilist komt voort uit het idee dat religie datgene is wat waarde geeft aan de werkelijkheid, wat zegt wat het juiste leven is. Ik vind dit problematisch. Religie heeft inderdaad een normatief component: het schrijft voort hoe je moet gedragen. Echter, het heeft ook een descriptief component: het beschrijft hoe de werkelijkheid in elkaar zou zitten.

Peterson doet net alsof religie alleen dat eerste is: een ethiek. Religie is niet alleen ethiek. Kijk maar naar hoe serieus gelovigen bepaalde passages van het schrift, die de werkelijkheid zouden beschrijven, de afgelopen millennia hebben verdedigd.

Concluderend, ik vind de termen religie en atheïst bij hem verwarrend. Ik denk dat we beter kunnen spreken van ethiek en een nihilist.

[Invouwen]

Het nihilisme

Als voorbeeld van de onmogelijkheid van het atheïsme (of nihilisme, in mijn termen) refereert hij naar mijn geliefde Dostojevski, ditmaal naar Misdaad en straf (bol), waarin de hoofdpersoon, Raskalnikov, besluit zijn nihilistische overwegingen tot het einde te volgen en wat hij meent een rationele moord te plegen. Spoiler: hij kan niet met de daad leven.

Daarin zit de crux volgens Peterson. Als je kijkt naar je handelen ben je geen nihilist (atheïst, in Petersons termen). Je handelen verraadt dat je waarde toekent aan allerlei zaken in het leven. Al is het maar eten om te overleven. Wat er veeleer aan de hand is dat je je niet bewust ben van je waardeoordelen. Daarvoor ben je te complex.

Dat is waarom er volgens hem religie is ontstaan. Religies zijn distillaties van levenslessen van tallozen die voor je tijd hebben geleefd. In je eentje kom je nooit tot al die inzichten. Je moet vertrouwen op de kennis van degenen die voor je leefden. Werken als de Daodejing en de Bijbelse verhalen dienen daarom als ethische gids voor het leven:

De Bijbel is een bibliotheek bestaande uit vele boeken, elk boek geschreven en geredigeerd door vele mensen. Het is een waarlijk boven alles uitstekend document – een geselecteerd, gerangschikt en uiteindelijk coherent verhaal dat verspreid over duizenden jaren door niemand en door iedereen is geschreven. De Bijbel is uit de diepte opgeworpen door de collectieve menselijke verbeelding, die zelf weer een product is van onvoorstelbare krachten die over onpeilbare tijdspannen werkzaam waren. Een zorgvuldige en respectvolle bestudering ervan kan ons dingen onthullen over wat wij geloven en hoe we handelen en behoren te handelen die op welhaast geen andere manier kunnen worden ontdekt.

De God(en) in de bijbel

Wat mensen volgens Peterson vaak opvalt is de onpersoonlijkheid van God in het Oude Testament. God geeft niet om de mens, vertelt alleen hoe je zou moeten handelen en zelfs dan gaat het nog vaak mis. Het Nieuwe Testament wordt vaak gelezen als een met een vriendelijke God, die meer is als een wijze vader.

Maar, vraagt Peterson zich af, is zo’n vriendelijke God wel realistisch? In een wereld waarin Auswitzsch kan ontstaan, waarin we bekend zijn met de gruwelheden waartoe de mens in staat is – jij en ik, maak jezelf niets wijs – kunnen we toch niet geloven in een algoede god? We kunnen toch niet meer geloven in een algoede werkelijkheid?

We dienen volgens Peterson te leven alsof die goede God bestaat, alsof die goede werkelijkheid mogelijk is, alsof het leven het waard is om te leven. Maar niet op een naïeve manier. We moeten niet de slechte kanten van de mens onderkennen, niet ontkennen dat we in staat zijn tot Auswitzsch. Echter, we dienen tegelijkertijd te onderkennen dat we altijd, overal in staat zijn de wereld een beetje beter te maken, ook in Auswitzsch (beaamt ook Viktor Frankl, die Auswitzsch overleefde).

Dat besluit begint bij jezelf:

Je besluit dat je de God van het Oude Testament, met al Zijn verschrikkelijke en vaak discutabel lijkende macht, zult behandelen alsof Hij ook de God van het Nieuwe Testament zou kunnen zijn (ook al besef je dat dat in vele opzichten absurd is). Met andere woorden, je besluit je te gedragen alsof het bestaan gerechtvaardigd zou kunnen worden door Zijn goedheid – als jij je maar fatsoenlijk gedraagt. En het is die beslissing, die verklaring van existentieel geloof, die je in staat stelt nihilisme, rancune en arrogantie te boven te komen. Het is die geloofsverklaring die haat tegen het Zijn, met al zijn bijkomende kwaden, in toom houdt. En, wat zo’n geloof betreft: het is helemaal niet de wil om in dingen te geloven waarvan je heel goed weet dat ze niet echt zijn. Geloof is niet het kinderachtige geloof in tovenarij. Dat is onwetendheid of zelfs moedwillige blindheid. In plaats daarvan is het de realisatie dat de tragische irrationaliteiten van het leven moeten worden gecompenseerd met een al even irrationele geëngageerdheid met het essentieel goede van het Zijn. Het is tegelijkertijd de wil je blik te durven richten op het onbereikbare, als de bereidheid alles (en zelfs het allerbelangrijkste) je leven op te offeren. Je beseft dat je letterlijk niet beters te doen hebt. Maar hoe kun je dat allemaal doen – aangenomen dat je dwaas genoeg bent om het te proberen.

Kanttekening

Wat mij betreft kun je het hele bovenstaande areligieus begrijpen. De sprong, het existentiële geloof, waar Peterson het over heeft, maak je naar de werkelijkheid. Je accepteert dat de werkelijkheid indifferent is ten opzichte van ons bestaan en lijden (als de God van het Oude Testament) en besluit om vanaf dit moment te handelen alsof de werkelijkheid beter zou kunnen worden, als jij je steentje gaat bijdragen (als de God van het Nieuwe Testament).

[Invouwen]

Opletten

Dit deel is de conclusie, waarin Peterson terugkeert vanuit zijn abstracte Bijbelse analyse naar het begin van dit hoofdstuk.

Als je je aandacht richt op je omgeving zal je volgens Peterson onvermijdbaar zaken vinden die je kunt verbeteren. Het moet iets zijn wat je wilt oplossen en kunt oplossen. Misschien is het die stapel papier waarvan je het sorteren al weken uitstelt. Sommige zaken zijn te hoog gegrepen. Je wilt het misschien wel, maar kan het niet. Zoek dan lager tot je zaken vindt die je kunt oplossen, wilt oplossen, en los ze dan op. Zoals hij het hele hoofdstuk al herhaalt: begin dus klein.

Niet mijn tafel.

Iedere ochtend kun je bijvoorbeeld een lijst maken met zaken die je wilt verbeteren, kunt verbeteren en gaat verbeteren. Nogmaals, behandel jezelf hierbij niet als een slaaf van je wil. De tiran spelen werkt niet. Belangrijker dan dat die eerste dag perfect is, is dat je dag na dag je leven beetje bij beetje blijft verbeteren, en daarmee de wereld.

En zoals altijd eindigt hij met de regel:

Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met wie iemand anders vandaag is.

Regel 5
Laat je kinderen nooit iets doen waardoor je de pest aan ze krijgt

Mini-samenvatting

Volgens Peterson worden sommige ouders geterroriseerd door hun kinderen. Dit komt omdat die ouders moeite hebben met ‘nee’ zeggen.

Waarom? Omdat ze denken dat iedere vorm van discipline slecht is voor hun kind.

Peterson is het hier pertinent mee oneens. Een kind wordt niet als een volledig goed wezen geboren dat maar vrij gelaten moet worden. Het moet leren waar zijn of haar grenzen liggen. De taak van de ouder is om duidelijk te maken wat niet oké is.

Alleen op die manier krijgen jij en de wereld geen hekel aan je kind, maar wordt het er een die sociaalvaardig is en meekan in de wereld. Dat is je primaire taak als ouder: je kind zo opvoeden dat anderen hem of haar graag in de buurt hebben.

[Invouwen]

Verpeste kinderen

Sommige ouders durven geen ‘nee’ te zeggen. Het resultaat? Een onuitstaanbaar kind waar je niet mee kunt praten.

Volgens Peterson lijkt dit vaker bij jongetjes te gebeuren. Zij worden soms door hun moeders geen strobreed in de weg gelegd:

Dergelijke vrouwen protesteren luidruchtig tegen elk bevel van een volwassen man, maar staan onmiddellijk op om een boterham met pindakaas te maken als hun zoontje dat onder het videogamen van hen eist. De toekomstige partners van dergelijke jongens hebben alle reden om de pest te hebben aan hun schoonmoeder. Respect voor vrouwen? Dat is iets voor andere jongens en andere mannen, niet voor hun lieve zoontjes.

Waarom worden zonen vaker voorgetrokken? Peterson wijst op een mogelijke psychologisch-evolutionaire verklaring: een succesvolle zoon kan zich vele malen vaker voortplanten dan een dochter:

Dus vanuit een diep biologisch perspectief zijn er redenen om aan te nemen dat ouders voldoende voorkeur geven aan zonen om vrouwelijke foetussen uit te schakelen, hoewel ik hiermee geen directe causaliteit wil aantonen, noch suggereren dat er geen andere, meer cultureel bepaalde redenen zijn.

Kanttekening: wat een gekke verklaring

Zulke evolutionaire verklaringen zijn verdacht. Peterson wil geen ‘directe causaliteit’ aantonen, noch culturele factoren ontkennen. Toch lijkt hij met het noemen van psychologisch-evolutionaire verklaring te suggereren dat het een goede verklaring is, er zijn immers ‘redenen om het aan te nemen.’ Welke? Dat zegt hij niet.

Wat kunnen we dus met deze psychologisch-evolutionaire verklaring? Niet zoveel. Voor mij blijft het een just-so-story. Het zou mogelijk een rol kunnen spelen in waarom moeders hun zoon voortrekken. Mogelijk ook niet. Dat is het. Je kunt honderden van dit soort evolutionaire verhalen bedenken met dezelfde disclaimer.

[Invouwen]

Waarom zijn die kinderen zo naar?

Wat moeten we denken van kinderen die niet luisteren en het hun ouders moeilijk maken? Volgens Peterson hebben sommigen de naïeve illusie van het kind als een puur, ongeschreven blad, dat volledig wordt verpest door zijn of haar omgeving.

Dat is volgens hem te simpel. Sommige zonen en dochters zijn uitzonderlijk moeilijk en zijn al op jonge leeftijd in staat misbruik te maken van hun omgeving.

Als je aanneemt dat kinderen als onbeschreven blad geboren worden en verwoest worden door de maatschappij, dan lijkt het een aanlokkelijk idee om die maatschappij revolutionair te willen veranderen. Volgens Peterson is dat een slecht idee. Onze gezinsvorm is een product van een enorm lange, deels sociale, evolutie. We weten niet precies waarom het zo goed werkt. Maar het revolutionair veranderen zal hoogstwaarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor het kind.

Ten voorbeeld refereert hij aan veranderingen van de echtscheidingswetgeving:

Was het bijvoorbeeld zo’n goed idee om in de jaren zestig van de vorige eeuw de echtscheidingswetgeving zo drastisch te liberaliseren? Het is mij niet duidelijk of de kinderen wier leven werd gedestabiliseerd door de hypothetische vrijheid die deze poging tot liberalisering introduceerde, het daarmee eens zullen zijn.

Kanttekening: eigenaardig taalgebruik

Wederom is Peterson heel subtiel met zijn taalgebruik. Strikt genomen bevraagt hij alleen de wenselijkheid van de verandering in de echtscheidingswetgeving. ‘Het is hem niet duidelijk’ of het daardoor beter is geworden. Hij lijkt te willen zeggen dat het niet beter is geworden.

Hij beweert dat echter niet. Als je aan hem vraagt:

‘Dus jij vindt de liberalisatie van de echtscheidingswetgeving een slecht idee?’

Zal hij zeggen: ‘nee, dat beweer ik niet.’

En dat klopt, hij zegt het niet. Doch lijkt hij wel de lezer die conclusie te laten trekken.

Dit soort trucs gebruikt hij vaker (zie ook zijn evolutionair-psychologische verhaal hierboven). Hij geeft dan strikt genomen geen argument, maar als lezer denk je van wel. Als je hem dan aanspreekt op het argument zal hij simpelweg zeggen dat hij het niet beweert. Heel sneaky, Peterson.

[Invouwen]

Worden we goed geboren en bederft de maatschappij ons?

Volgens Peterson komt het idee van het kind als puur, onbeschreven blad, verpest door de corrumperende maatschappij, van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau. Volgens Rousseau worden mensen goed geboren en slecht gemaakt door de maatschappij.

Peterson gelooft daar weinig van. Ten eerste schuilt goed en kwaad in iedereen. Ten tweede worden mensen naargelang ze ouder worden “aardiger, gewetensvoller en emotioneel stabieler”. De ergste pesterijen komen, algemeen gesproken, voor onder kinderen. En wie werkelijk denkt dat kinderen, als ze maar met rust gelaten worden, alleen maar lief voor elkaar zijn, moet maar eens Lord of the flies lezen van William Golding.

Een filmpje van mij over Lord of the flies

[Invouwen]

Als verdere aanwijzing dat de destructieve vermogens van de mens niet louter uit maatschappelijke krachten voortkomen, verwijst Peterson naar chimpansees. Zij leven als ‘nobele wilden’, maar voeren ook oorlogen en zijn in staat tot gruwelijkheden als het opeten van hun verslagen tegenstander.

En voor degene die nog steeds niet overtuigd is: er is voldoende bewijs dat in primitievere samenlevingen (de o zo nobele wilden die Rousseau idealiseerde) veel hogere moordcijfers waren en zijn, dan in die van ons.

Opsommend, kinderen worden niet volledig goed geboren en verpest door de maatschappij. Een kind dient niet volledig vrij te worden gelaten.

Ze zijn noch goed, noch kwaad, maar bezitten een capaciteit voor geweld en chaos die mits onbeteugeld tot een kleine dictator leidt. Ze zijn gebaat bij discipline:

Consequente correcties van dat soort gedrag maken het kind duidelijk waar de grenzen van acceptabele agressie liggen. De afwezigheid daarvan verhoogt alleen maar de nieuwsgierigheid, en dus gaat het kind slaan, bijten en schoppen als het agressief en dominant is, totdat iemand zegt waar de grens ligt. Hoe hard kan ik mama slaan? Totdat ze bezwaar maakt. Daarom is vroeg corrigeren beter dan laat (als het gewenste resultaat van de ouder is niet geslagen te worden). Corrigeren leert het kind ook inzien dat anderen slaan een suboptimale sociale strategie is. Zonder dat corrigeren zal geen enkel kind het moeilijke proces ondergaan van het regisseren en reguleren van zijn impulsen, zodat die impulsen conflictloos kunnen samengaan binnen de psyche van het kind en in de grote buitenwereld. Maar het is geen gemakkelijke opgave om een geest te regisseren.

Ha Peterson, heb je misschien een voorbeeld?

Peterson geeft twee aardige anekdotes over hoe hij zijn lastige zoon (die niet wilde eten) en een peuter die bij hun kwam logeren (die altijd uit bed kroop en niet terug wilde voor hij een film van Elmo te zien kreeg) disciplineerde. Die laatste brak meteen in huilen uit.

Veel ouders maken volgens Peterson de fout te denken dat als een kind huilt deze altijd honger heeft of verdrietig is. Dat klopt niet:

Boosheid is de meest voorkomende reden dat ze huilen. Zorgvuldige analyse van de spierpatronen bij huilende kinderen bevestigt dit. Woedehuilen ziet er anders uit dan angst- of verdriethuilen. Het klinkt ook anders en kan met enige aandacht van elkaar worden onderscheiden. Woedehuilen is vaak een daad van dominantie, en moet als zodanig behandeld worden.

Dit wetende hield Peterson vol in zijn strijd met het huilende kind. En hij won.

Wellicht denk je dat dit allemaal wel heel strijdlustig en lullig klinkt. Maar wat anders? Een tweejarig kind belonen voor zijn wangedrag?

Maar je kind oefenen in niet-slapen, en hem dan ook nog belonen met de avonturen van zo’n enge pop. Dát is pas wreed. Ieder zijn ding.

Discipline en straf

Discipline en straf. Die woorden klinken eng en associëren we wellicht eerder met een moordenaar dan met het omgaan met je kind. Met positieve beloningen kan je ver komen, maar soms dien je als ouder volgens Peterson duidelijk aan te geven wat niet oké is.

Het is van belang dat direct te doen bij datgene wat je als ouder stoort, anders zal je de frustratie meenemen en op een later, irrelevant moment uiten. Daar heeft je kind niets aan:

Ouders die weigeren de verantwoordelijkheid te nemen voor het disciplineren van hun kinderen, denken dat ze gewoon het conflict kunnen vermijden dat noodzakelijk is voor een goede opvoeding van hun kinderen. Ze willen niet de boeman zijn (op korte termijn), maar kunnen kinderen ook niet redden of beschermen tegen angsten en pijn. Integendeel: de kritische en onverschillige buitenwereld zal hen trakteren op conflicten en straffen die veel groter en ingrijpender zijn dan wat een alerte ouder zou hebben aangericht. Je kunt je kinderen disciplineren of je kunt die verantwoordelijkheid overlaten aan de botte, kritische en onverschillige buitenwereld; en de motivatie voor die laatste beslissing mag nooit verward worden met liefde.

Je kinderen discipline meegeven is niet hetzelfde als je autoritair en totalitair gedragen. Een kind weet vaak niet wat goed voor hem is op lange termijn en dient dat nog te leren. Dat is de taak van de ouder. En dat kan niet zonder disciplinering. De vraag is dan: hoeveel disciplinering, en hoe? Je wilt ook geen tiran zijn over je kinderen.

Peterson introduceert het principe van minimale noodzakelijke dwang. Als ouder is het je taak een minimaal aan regels op te stellen zodat je kind zich leert te gedragen. Wat betekent dat? Dat jij blij bent als het kind in de buurt is en anderen ook.

Ten tweede dien je die regels met minimale dwang af te dwingen:

Wat is het minst noodzakelijke geweld? Dat moet proefondervindelijk worden vastgesteld, te beginnen met de kleinst mogelijke interventie. Sommige kinderen verstenen bij een boze blik. Een ander zal pas ophouden na een bevel. Sommigen hebben een klein tikje op hun kinderhand nodig.

Kanttekening: Je slaat toch geen kinderen?

Dit lijkt mij totaal niet wenselijk. Kleine opmerking: ik heb geen kinderen.

Hier heeft Peterson direct een antwoord op:

Allereerst is ‘slaan’ bepaald geen subtiel woord waarmee de disciplinaire actie van een effectieve ouder wordt omschreven. Als ‘slaan’ nauwkeurig de hele breedte van fysiek geweld omvat, dan zou er geen verschil bestaan tussen regendruppels en atoombommen.

[…]

Als je je kind van twee een tikje geeft nadat hij de baby op zijn hoofd heeft geslagen met een stuk hout, dan zal hij het verband snappen, en op zijn minst minder bereid zijn haar in het vervolg nog eens te slaan. Dat lijkt een bevredigend resultaat. Hij zal zeker niet concluderen dat hij haar best vaker mag slaan, na die tik van zijn moeder. Hij is niet dom. Hij is gewoon jaloers, impulsief en allesbehalve subtiel. En hoe moet je zijn jongere zusje anders beschermen? Als je ineffectief disciplineert, dan delft de baby het onderspit.

Toch blijft mijn vraag staan. Is het niet werkelijk mogelijk om een kind te disciplineren zonder fysieke straf? Ik denk aan een alternatief als een kind in de hoek zetten.

Volgens Peterson is er niet veel verschil als we kijken naar wat er gebeurt in de hersenen. Een kind in de hoek zetten voelt wellicht humaner, voor ons, maar voor het kind verschilt het alleen in gradatie van straf, maar is het niet fundamenteel van andere aard.

Het grote voordeel van een kind in de hoek zetten ten op zichte van slaan lijkt mij dat de kans veel minder klein is dat je ‘per ongeluk’ te veel geweld gebruikt.

Volgens Peterson is een corrigerende tik dan ook geen alternatief voor een kind de hoek in sturen, maar een maatregel voor als het eerste niet werkt:

Als je kind het soort vastberaden schelm is dat gewoon lachend wegloopt wanneer het op de trap wordt gezet of naar zijn kamer gestuurd, dan moet er misschien fysieke beperking worden toegevoegd aan ‘het strafbankje’. Je kunt een kind voorzichtig maar stevig vastpakken bij zijn bovenarmen, totdat het ophoudt met kronkelen en naar je luistert. Als dat niet lukt, dan moet hij of zij misschien over de knie. Voor een kind dat op spectaculaire wijze de grenzen overschrijdt, kan een klap op zijn achterste duidelijk maken dat het de verantwoordelijke volwassene menens is.

[Invouwen]

Niet vergeten: waarom al dit disciplineren?

Al dit gepraat over discipline en straf doet ons haast vergeten dat kinderen ontzettend lief en fijn kunnen zijn. Volgens Peterson is dit juist de reden om ze te disciplineren en waar nodig streng op te treden.

Je voornaamste taak als ouder is het opvoeden van een goed gesocialiseerd kind. De wereld ligt aan zijn of haar voeten, omdat anderen het kind ook zullen mogen. Ze zullen hem of haar uitnodigen voor verjaardagsfeestjes, etc.

Iets belangrijkers kan je voor je kind niet doen dan dit: zorgen dat hij of zij zich zo gedraagt dat anderen hem of haar ook mogen. En om dat te bereiken mag je best een beetje streng zijn.

Regel 6
Zorg dat je huis op orde is voordat je kritiek spuit op de wereld

Mini-samenvatting

In dit hoofdstuk bespreekt Peterson het probleem van het lijden. Sommigen concluderen daarom dat hun eigen leven niet de moeite waard is geleefd te worden en overwegen zelfmoord.

Anderen gaan nog een stap verder: geen enkel leven is de moeite waard om geleefd te worden, het bestaan zelf is slecht. Schoolschutters zijn een voorbeeld van mensen met zulke gedachten. Ze gaan over tot extreem geweld.

Het lijden hoeft echter niet altijd tot zulk wraakzuchtig pessimisme te leiden. Ja, het leven is (groten)deels lijden, maar je kunt ook een andere weg bewandelen. Je kunt inzien dat jij ook nog genoeg steken laat vallen, dat je eerst je eigen zooi op kunt ruimen voordat je zaken buiten je de schuld geven van je ellende.

Dus, zorg dat je huis op orde is voordat je kritiek spuit op de wereld.

[Invouwen]

.
Waarschuwing: dit is een heftig hoofdstuk.

Het leven is niet de moeite waard geleefd te worden

Mijn situatie was afschuwelijk. Ik wist dat ik niets anders kon vinden op het gebied van de rationele wetenschap dan een ontkenning van het leven, en in het geloof vond ik niets anders dan een ontkenning van de rede, en dat was zelfs nog onmogelijker dan een ontkenning van het leven. Uit de rationele wetenschap volgde dat het leven kwaadaardig is, en dat de mensen dat weten. Ze hoeven niet te leven, maar toch hebben ze geleefd en leven ze nog steeds, zoals ik ook leef, ook al weet ik al heel lang dat het leven betekenisloos en kwaadaardig is.

Niemand minder dat de Russische schrijver Leo Tolstoj schreef deze woorden, hier aangehaald door Peterson. Tolstoj analyseerde het leven en concludeerde dat het niet de moeite waard was om geleefd te worden, dat het beter was om niet te bestaan.

Op deze conclusie zijn volgens Tolstoj slechts vier reacties mogelijk.

  1. Je kunt je terugtrekken en ontkennen dat het leven lijden is.
  2. Je kunt je overgeven aan hedonistisch vermaak, de pleziertjes van de dag.
  3. Je kunt accepteren dat het beter is dood te zijn dan levend, maar er niets mee doen. Dat is de weg van de lafaard.
  4. Je kunt handelen op basis van je conclusie:

Alleen uitzonderlijk sterke en logisch en consequent denkende mensen handelen op deze manier. Nadat ze zich bewust zijn van de stupiditeit van de grap die met ons wordt uitgehaald, en inzien dat de zegeningen van de doden veel groter zijn dan die van de levenden en dat het beter is om niet te bestaan, treden ze handelend op en maken een einde aan die stupide grap; en ze gebruiken daar alle mogelijke middelen voor: een touw om de nek, water, een mes in het hart, een trein.

De zelfmoord, dat is het enige logische en rationele antwoord op het lijden, aldus Tolstoj. Zo, dat is lekker binnenkomen, maar het wordt nog erger.

(Het leven is niet de moeite waard geleefd te worden)^2

De mensheid is niet de moeite waard om voor te vechten, alleen om dood te schieten. Geef de Aarde terug aan de dieren. Die hebben er veel meer recht op dan wij. Niets heeft nog iets te betekenen.

Dit schreef een van de twee Columbine killers in zijn dagboek, hier door Peterson geciteerd, voordat hij samen met de andere schutter twaalf onschuldige mensen op een school doodschoot.

Twee massamoordenaars…

Ik schrijf dan wel ‘onschuldig’, maar jongens als de Columbine killers menen dat hun slachtoffers volledig schuldig zijn. Peterson hierover:

Mensen die dat soort dingen denken, zien het Bestaan zelf als onrechtvaardig en hardvochtig op het corrupte af, en zien vooral het Menselijke Bestaan als verachtelijk. Ze hebben zichzelf benoemd tot de ultieme scherprechters van de werkelijkheid en concluderen dat die niet deugt.

Daarmee is de toon voor dit hoofdstuk gezet. Het gaat over mensen die uit hun eigen lijden concluderen dat de wereld beter af is zonder mensen. Zij menen dat ieders leven slecht is, en zou moeten eindigen.

Ze geven het meest pessimistisch mogelijke antwoord op de alom terugkerende existentiële vraag: is het leven de moeite waard om geleefd te worden? Ze antwoorden volmondig ‘nee’ en trekken daaruit hun tragische conclusies en nemen wraak op het Bestaan.

Kanttekening: hoe onpersoonlijk is die wraak?

Peterson lijkt het persoonlijke aspect van de schoolschutters te negeren.

In een zekere zin is hun wraak inderdaad onpersoonlijk. Ze knallen iedereen overhoop. Hun wraak is in ieder geval niet op slechts enkele, vervelende individuen gericht.

Echter, het feit dat ze naar hun eigen school terugkeren is juist een teken van het persoonlijke van hun wraak. Hun eigen school heeft voor hen het meeste betekenis. Dat is voor hen de ultieme plek van ellende en daarom de ultieme plek voor hun wraak.

Ik meen dus dat we niet kunnen concluderen dat ze alleen maar uit zijn op onpersoonlijke wraak op het Bestaan (met een hoofdletter, a la Peterson), maar dat die wraak vaak ook persoonlijk is en doelgericht.

[Invouwen]

Waarom lijden we?

Het leven is deels lijden, aldus Peterson. Dit leidt keer op keer tot die ene vraag:

Waarom?

Een gelovig man kan wanhopig zijn gebalde vuist schudden vanwege de kennelijke oneerlijkheid en blindheid van God. Ook Christus zelf voelde zich verlaten aan het kruis, althans zo gaat het verhaal. Een meer agnostische of atheïstische persoon kan het noodlot de schuld geven, of bitter mijmeren over de wreedheid van het toeval. Weer een ander kan in zichzelf verscheurd zijn en op zoek gaan naar de zwaktes in zijn karakter die ten grondslag liggen aan zijn lijden en crisis. Dit zijn allemaal variaties op een thema. De naam van het doelwit verandert, maar de onderliggende psychologie blijft hetzelfde. Waarom? Waarom is er zo veel lijden en wreedheid?

Een mogelijk antwoord is omdat het Bestaan zelf slecht is. Dit is het antwoord van de schoolschutters op hun lijden.

Lang niet iedereen komt echter tot conclusie. “Er zijn mensen die een afschuwelijk verleden achter zich hebben en in plaats van kwaad goed doen, hoewel zoiets bovenmenselijk lijkt.” Hij geeft voorbeelden van mensen die in hun jeugd jarenlang misbruikt en mishandeld zijn, maar die ondanks al die onvoorstelbare narigheid hun weg naar boven hebben gevonden.

Ellende, hetzij fysiek of intellectueel, hoeft helemaal niet te leiden tot nihilisme (dat wil zeggen, het radicaal verwerpen van waarde, betekenis en begeerlijkheid). Dergelijke ellende laat altijd een scala aan interpretaties toe.

Aldus Friedrich Nietzsche, hier geciteerd door Peterson om het punt duidelijk te maken dat ellende en narigheid niet hoeft te leiden tot nihilisme, en daarmee wraak.

Kanttekening: het nihilisme

Peterson lijkt hier te beweren dat degenen die wraak nemen nihilistisch zijn. Dit lijkt mij onjuist. Een nihilistisch iemand, iemand zonder enige waarden, zou nooit de moeite nemen wraak te nemen, maar langzaam als een kaars uitdoven in bed.

Volgens mij kennen schoolschutters wel degelijk waarden en betekenis aan het leven. Ze menen dat ze onrechtvaardig worden behandeld, dat het leven zelf onrechtvaardig is. Om dat oordeel te kunnen vellen moeten ze een sterk idee hebben over wat wel rechtvaardig is.

Ze halen zelfs dodelijk véél betekenis uit hun eigen morele oordeel: ‘de wereld voldoet niet aan mijn morele standaarden en moet daarom boeten.’

Nihilisten zou ik ze daarom niet willen noemen. Extreme pessimisten, daarentegen wel. Ze menen dat er geen enkele hoop meer is… En dat is een krachtig, maar desastreus, waardeoordeel.

[Invouwen]

Dezelfde ellende op een hoger niveau

Behalve individuen die lijden, overkomt soms hele groepen ellende. Zo werd New Orleans een aantal jaar geleden getroffen door Katrina.

Maar, vraagt Peterson zich af, was dit wel volledig een natuurramp?

Toen de orkaan toesloeg in New Orleans en de stad verzwolgen werd door de golven, was dat toen een natuurramp? De Nederlanders bouwen dijken tegen de ergste storm in tienduizend jaar. Als New Orleans dat voorbeeld had gevolgd, dan zou er geen tragedie hebben plaatsgevonden. Het is niet zo dat men van niets wist. De Flood Control Act van 1965 verplichtte tot het verbeteren van de dijken die Lake Pontchartrain moesten tegenhouden. Die verbeteringen hadden in 1978 klaar moeten zijn. Veertig jaar later was nog maar 60 procent van de werkzaamheden klaar. Moedwillige blindheid en corruptie verwoestten de stad.

Een orkaan is een daad van God. Maar nalatigheid bij de voorbereiding – terwijl de noodzaak voor die voorbereiding alom bekend is – dat is een zonde. Dat is verzuim om te doen wat gedaan moet worden. En het loon dat de zonde geeft, is de dood (Rom. 6:23).

Kanttekening: daad van God?

Wat mij betreft is ‘daad van God’ onnodig religieus taalgebruik. Hij bedoelt met God niet een persoonlijke geest die de mensheid straft.

Toch is ‘God’ hier niet door Peterson onwillekeurig gekozen. Alhoewel er geen persoonlijke God is die mensheid straft voor hun wandaden, worden we op een bepaalde manier wel gestraft voor ons gedrag. Geld dat in de dijken had kunnen worden geïnvesteerd werd verkwanseld, met zware overstromingen tot gevolg. Slecht gedrag leidde tot al die doden.

Ik hekel vooral het woord God omdat ‘de straf’ niet doelgericht is, voor een groot deel is het toeval dat het ze overkwam. Het had er ook niet kunnen stormen… Met ‘God’ klinkt het alsof ze bewust gestraft werden. Alsof iemand ervoor koos om ze straffen voor hun wangedrag.

Zo simpel is het niet. Soms kom je met corruptie weg. Soms niet, en dan spoelen de lijken door straten. Vandaar dat ik liever heb dat hij ‘een daad van de natuur’ had geschreven.

[Invouwen]

Zorg dat je je leven op orde krijgt

Peterson benadrukt dat je niet uniek bent als je lijdt. Wij zijn beperkte wezens en het leven zit vol tragedie. Als je echter merkt dat je erdoor gecorrumpeerd raakt, dien je te reflecteren op je eigen bestaan:

Begin klein. Heb je ten volle gebruikgemaakt van de mogelijkheden die je geboden zijn? Werk je hard aan je carrière, of zelfs aan je baan, of laat je je belemmeren en klein krijgen door verbittering en rancune? Heb je vrede gesticht met je broer? Behandel je je partner en je kinderen met waardigheid en respect? Heb je gewoonten die je gezondheid en welzijn ondermijnen? Kwijt je je echt van al je verantwoordelijkheden? Heb je tegen je vrienden en je gezinsleden gezegd wat je moet zeggen? Zijn er dingen die je zou kunnen doen waarvan je weet dat je ze kunt doen, waardoor je directe omgeving erop vooruitgaat?

Heb je je leven op orde?

Als het antwoord nee is, probeer dit dan eens: Hou onmiddellijk op met datgene waarvan je weet dat het verkeerd is. Begin daar vandaag nog mee.

Net als in eerdere regels benadrukt Peterson het kleine dat je wel kunt verbeteren. Je kunt niet ineens je leven perfect maken, maar wel kleine zaken op orde maken. Als je dit iedere dag doet stapelen deze kleinste winsten zich bij elkaar op.

Het is te makkelijk naar anderen te wijzen voor je eigen lijden. Daarop stelt Peterson dat je eerst moet kijken of je zelf wel alles eraan gedaan hebt om het leven beter te maken:

Geef de schuld niet aan het kapitalisme, aan radicaal links of de onrechtvaardigheid van je vijanden.

[…]

Als je geen vrede kunt stichten in je eigen huishouden, hoe durf je dan een hele stad te besturen?

Hier komt voor het eerst de regel zelf terug. Het is te makkelijk de ander van alles te verwijten, terwijl jijzelf genoeg fout doet. Fix dat eerst.

Kanttekening: creëert Peterson zelf nieuwe slachtoffers?

Meerdere malen heb ik gelezen dat Peterson inspeelt op het slachtoffergevoel van jonge mannen. Zij zouden lijden onder het feminisme/cultuurmarxisme/etc. Ik denk dat deze kritiek hoogstens voor een klein deel terecht is.

Peterson benadrukt constant in het boek dat begint bij zelf verantwoordelijkheid te nemen over je eigen zooi voordat je verwijten maakt naar anderen. Dat doet hij ook in dit hoofdstuk. Volgens mij is dat precies de boodschap die veel mensen aanspreekt. Het is namelijk een hoopvolle. Als je hard werkt, eerlijk bent, heb je een grotere kans dat het lijden minder wordt.

[Invouwen]

Misschien zal je herstelde ziel dan haar bestaan beschouwen als een groot goed, als iets wat te prijzen is, zelfs in het licht van je eigen kwetsbaarheid. Misschien word je dan een steeds sterkere kracht voor de vrede en voor alles wat goed is.

Misschien zie je dan in dat als alle mensen dit deden in hun eigen leven, de wereld niet langer een kwaadaardig oord zou zijn. Daarna, en met voortdurende inzet, is de wereld niet langer een tragisch oord. Wie weet hoe het bestaan eruitziet als we allemaal zouden besluiten het beste na te streven. Wie weet wat voor eeuwige hemels er gevestigd kunnen worden door onze geest, die gezuiverd is door de waarheid en naar de hemel gericht, hier op deze gevallen aarde.

Zorg dat je huis op orde is voordat je kritiek spuit op de wereld.

Regel 7
Streef na wat betekenisvol is (niet wat opportuun is)

Mini-samenvatting

Dit hoofdstuk is op veel vlakken een herhaling van zetten (en afschuwelijk vertaald).

Het leven is grotendeels lijden, aldus Peterson. Dit roept de eeuwig terugkerende vraag op: hoe te leven?

Peterson analyseert voor een antwoord in grove stroken de geschiedenis. Als eerste prijst hij het christendom waarin hij het idee van opoffering ziet: de ontdekking dat we kunnen onderhandelen met de toekomst.

Het christendom bracht ons veel goeds, maar maakte zichzelf overbodig. Deze ‘dood van God’ leidde tot totalitaire en nihilistische verschrikkingen van de 20eeeuw. Daaruit leidt Peterson zijn ethische fundament af:

Het Goede is het beperken van het Kwaad. En het Kwaad begrijpt hij als het moedwillig vergroten van het lijden van de ander.

Vanuit dit ethische anker komt hij tot alle andere imperatieven die je in dit boek vindt. En zo komt hij ook tot deze zevende regel: ga niet voor het impulsieve genot, maar streef na wat betekenis geeft

[Invouwen]
Noot vooraf: Bijbelse referenties

Peterson bespreekt in dit hoofdstuk veelvuldig verhalen uit het Oude Testament. Ik laat deze voor wat ze zijn en leg zijn denken uit zonder naar de Bijbel te refereren.

Voor zijn denken over dit onderwerp aan de hand van de Bijbel raad ik het volgende college aan:

[Invouwen]

Peterson begint met het inzicht dat het leven lijden is. In de vorige regel zagen we hoe sommigen daardoor verbitterd raakten en het bestaan gingen haten. Hier wordt een andere mogelijkheid gepresenteerd: het nastreven van het egoïstisch genot, zich niets aantrekkend van de ander.

Alternatieve antwoorden op de vraag ‘hoe te leven?’ zijn volgens Peterson volop vertegenwoordigd in onze geschiedenis. We zijn een product van culturele evolutie, waarin gedurende een lange tijd kennis impliciet werd overgedragen. Op een gegeven moment kwamen we erachter dat we konden onderhandelen met de toekomst: een offer maken.

Een offer maken is volgens Peterson het opgeven van onmiddellijk plezier voor de mogelijkheid van een grotere beloning in de toekomst. En degenen die dit meer doen krijgen ook meer terug. Zij overleven. Peterson legt dit idee van de ontwikkeling van het offer uit aan de hand van een mammoet:

Wij mensen hebben heel wat mammoeten opgegeten, misschien wel allemaal. Na het doden van een groot dier blijft er altijd wat over voor later. Aanvankelijk gebeurt dat onwillekeurig, maar uiteindelijk begint het vooruitzicht ‘voor later’ aantrekkelijker te worden. Tegelijkertijd ontwikkelt zich een tijdelijk idee van een offer: ‘Als ik wat bewaar, zelfs als ik nu nog trek heb, hoef ik later geen honger te lijden.’ Dat tijdelijke idee ontwikkelt zich naar een volgend niveau (‘Als ik wat bewaar voor later, dan hoef ik geen honger te lijden en mijn dierbaren ook niet’), en daarna naar het volgende (‘Ik kan die hele mammoet onmogelijk alleen op, maar ik kan de rest ook niet eeuwig bewaren. Misschien moet ik anderen ook wat geven. Misschien onthouden ze dat en geven ze me later wat van hún mammoet, als zij nog wel wat hebben en ik niets meer. Dan heb ik nu wat mammoet, en later ook nog wat. Wat een mooie deal. En misschien gaan degenen met wie ik mijn vlees deel me wel vertrouwen, in het algemeen gezien. Misschien kunnen we dan wel blijven ruilen.’). Op die manier wordt ‘mammoet’ ‘toekomstige mammoet’, en ‘toekomstige mammoet’ wordt ‘persoonlijke reputatie’. En zo ontstaat het sociale contract.

Natuurlijk is dit een mythe en niet geheel historisch accuraat, dat begrijpt Peterson ook. Het helpt echter wel om het idee van de ontwikkeling van ‘offeren’ duidelijk te maken. Het leidt tot een situatie waarin een steeds groter offer voor een steeds verdere toekomst het beste is:

Het is nog beter om wat je hebt ruimhartig te delen met anderen. Het is echter nóg beter om alom bekend te staan als iemand die ruimhartig deelt. Dat is iets blijvends. En dat is iets wat betrouwbaar is. En op dit punt van de abstractie kunnen we zien hoe de basis voor de opvattingen ‘betrouwbaar’, ‘eerlijk’ en ‘ruimhartig’ is gelegd. De basis voor een uitgesproken ethiek ligt klaar. De productieve, oprechte deler is het prototype van de goede burger en de goede mens. Op die manier zien we hoe het simpele idee dat ‘restjes een goed idee zijn’, kan leiden tot de hoogste ethische principes.

Ik dacht hierbij zelf aan scholing. Als kind studeer je soms wel twintig jaar, zonder veel bij te dragen aan de maatschappij. Dit is een offer, een investering die het individu en de maatschappij maakt en waarvan we hopen en verwachten dat die zich terugbetaalt, zowel voor het individu als voor de maatschappij. We hebben echter geen enkele garantie. Misschien wordt de student een ultieme nietsnut, een grijpgrage bankier of sterft die op een feest na het lezen van Bataille aan een overdosis. We weten het niet. Toch verwachten we dat het offer zich terugbetaalt. Het is op lange termijn het beste spel wat we kunnen spelen.

Als ultiem voorbeeld van zelfopoffering noemt Peterson Socrates. Hij werd vervolgd voor goddeloosheid en het verderven van de jeugd, had de kans om te vluchten of zichzelf te verdedigen, maar deed dit niet. In de Apologie van Plato kunnen we nalezen hoe hij juist de strijd aangaat en zichzelf opoffert voor wat hij het juiste vindt. En nu, vijfentwintig eeuwen later, hebben we het nog over hem.

Dood, zwoegen en het kwaad

Naast onze strijd met het bestaan is er volgens Peterson de strijd met de ander, die vaak vijandig tegenover ons staat. Via het bewust zijn van onze eigen kwetsbaarheid, zoals we ook al lazen in regel 2, worden we bewust van de kwetsbaarheid van anderen: we kunnen ze pijn doen. “Het kwaad betreedt de wereld met het zelfbewustzijn,’ aldus Peterson:

Het leven is inderdaad ‘naar, beestachtig en kort’, waren de gedenkwaardige woorden van de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Maar de mens is in staat om het kwaad nog erger te maken. Dat betekent dat het voornaamste probleem van het leven – omgaan met de beestachtige aspecten ervan – niet alleen is wat en hoe te offeren om het lijden te verminderen, maar wat en hoe te offeren om het lijden te verminderen en het kwaad, de bewuste, vrijwillige en wraakzuchtige bron van het ergste lijden.

Het kwaad onder ogen zien

Telkens benadrukt Peterson onze schaduwkant. Wij mensen zijn in staat tot slavernij, sterker nog, dat was eeuwig de norm. Zie bijvoorbeeld het pleidooi van Thucydides voor het recht van de sterkste.

Het idee dat we anders kunnen leven dan het recht van het sterkste, dat ook het leven van de zwaksten wat waard is, is zo ongelofelijk revolutionair volgens Peterson. Voor ons is het nu vanzelfsprekend, waardoor we vergeten hoe radicaal dit idee was. Hij meent dat dit idee in het christendom is ontstaan:

Het christendom heeft de verrassende eis kenbaar gemaakt dat zelfs de laagsten van de laagsten rechten hadden, echte rechten. En dat de vorst en de staat moreel verplicht waren om op een fundamenteel niveau die rechten te erkennen. Het christendom presenteerde het zelfs nog onbegrijpelijker idee dat het feitelijke lijfeigenschap de slaveneigenaar (die voorheen beschouwd werd als een nobel, bewonderenswaardig mens) verlaagde tot een niveau dat veel lager was dan dat van de slaaf. Wij kunnen niet bevatten hoe moeilijk het is zo’n idee te doorgronden. We vergeten dat het tegenovergestelde gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis vanzelfsprekend was. We denken dat het verlangen om slaven te houden en te domineren moet worden verklaard. We hebben het weer bij het verkeerde eind.

Dit betekent uiteraard niet dat het christendomalle problemen heeft kunnen oplossen. Echter, we dienen niet te vergeten dat sommige problemen pas zichtbaar worden op het moment dat grotere problemen zijn opgelost, aldus Peterson:

Het feit dat auto’s het milieu vervuilen wordt pas een probleem dat de aandacht van het grote publiek trekt nadat de veel grotere problemen die worden opgelost door de verbrandingsmotor, uit beeld zijn verdwenen.

Problemen die het christendom niet kon oplossen stapelden zich op en de wetenschap wierp zich steeds verder op als redder van de mens: van zijn overgebleven fysieke lijden.

God werd overbodig, aldus Nietzsche die God doodverklaarde. Hij viel het christendom via twee lijnen aan.

Ten eerste had het christendom de waarde van waarheid zo ontwikkelt dat het zichzelf in de voet was gaan schieten: de wetenschap kon meer aanspraak maken op die waarheid. Ten tweede verweet Nietzsche dat het christendom de morele last had weggenomen van het individu. De aanname dat christus voor ons was gestorven, dat hij al het lijden op zich had genomen, neemt onze verantwoordelijkheid weg. Het idee van de imitatie van christus, volgen in zijn voetstappen, was in de loop van de eeuwen steeds verder verdwenen. Goed denken, niet goed handelen, werd voldoende. Dat was te makkelijk.

Nietzsche schrijft: ‘De christenen hebben nooit de handelingen in praktijk gebracht die Jezus hun voorschreef, en het schaamteloze wijdlopige geklets over de “rechtvaardiging door het geloof” en de uitzonderlijke en unieke betekenis ervan is slechts het gevolg van het gebrek aan moed en daadkracht van de Kerk om de voorgeschreven werken uit te voeren.’

Zo sterft God, aldus Nietzsche, aldus Peterson, aldus ik. We moeten echter niet te hard juichen volgens Peterson:

Wat er achter het lijk vandaan is gekomen – en dit is een belangrijk punt – is iets wat nog doder is, iets wat nooit heeft geleefd, zelfs in het verleden niet: nihilisme, alsmede een even gevaarlijke overgevoeligheid voor nieuwe, totaliserende, utopische ideeën.

De dood van God opent volgens Peterson de mogelijkheid tot twee denkwijzen. Enerzijds die van het nihilisme, die concludeert uit de dood van God dat niets van waarde is en alles geoorloofd. Anderzijds het utopische denken dat denkt dat het lijden maatschappelijk en of technologisch kan worden opgelost. Het falen van die stroming hebben we in de 20eeeuw kunnen zien.

De oplossing van Peterson

Peterson vertelt hoe hij reflecteerde op die verschrikkingen van de 20eeeuw en tot de overtuiging kwam dat het Kwaad werkelijk bestaat:

Ik las ooit over een uitzonderlijk geniepige praktijk in Auschwitz. Een bewaker beval een gevangene een zak met vijftig kilo nat zout van de ene kant van een groot terrein naar de andere kant te zeulen, en meteen daarna weer terug. Arbeit macht frei, stond er boven de ingangspoort van het kamp, en die vrijheid was de dood. Het zeulen met dat zout was een zinloze marteling. Het was een staaltje boosaardige kunst. Daardoor realiseerde ik me dat sommige handelingen fout zijn.

Aleksandr Solzjenitsyn schreef op diepzinnige en onvergetelijke wijze over de gruwelen in de twintigste eeuw, over de tientallen miljoenen die hun baan, familie, identiteit en leven verloren. In zijn De Goelag Archipel beschreef hij in het tweede deel van de tweede band de processen van Neurenberg, die hij de belangrijkste gebeurtenis van de twintigste eeuw vond. Wat is de conclusie van die processen? Sommige handelingen zijn zo intrinsiek weerzinwekkend dat ze keihard indruisen tegen de ware aard van het Bestaan. Dit is in wezen waar, op intercultureel vlak, ongeacht plaats of tijd. Het zijn duivelse handelingen. Er bestaat geen enkel excuus voor. Een medemens ontmenselijken, hem of haar reduceren tot de status van een parasiet, martelen en afslachten zonder enige consideratie voor individuele schuld of onschuld, van pijn een kunstvorm maken: dat is fout.

Als je een ding van Peterson onthoudt, onthoud dan de volgende paragraaf:

Waar kan ik niet aan twijfelen? Aan de realiteit van het lijden. Het duldt geen tegenspraak. Nihilisten kunnen het niet ondermijnen met scepsis. Totalitairen kunnen het niet uitbannen. Cynici kunnen niet ontkomen aan de realiteit ervan. Lijden is echt, en het spitsvondig toebrengen van lijden aan een ander, puur vanwege het lijden, is fout. Dat werd de hoeksteen van mijn geloof. Op zoek door de laagste regionen van de menselijke gedachten en handelingen, in het besef dat ook ik in staat zou zijn om te handelen als een bewaker in een nazikamp, als de commandant van een goelagkamp of als folteraar van kinderen in een kerker, besefte ik wat het betekende om ‘de zonden van de wereld op zich te nemen’. Elk mens heeft een ongelooflijke neiging in zich tot het kwaad. Elk mens begrijpt, a priori, misschien niet zozeer wat goed is, maar beslist wel wat niet goed is. En als er iets niet goed is, dan is er ook iets wat wel goed is. Als de ergste zonde het folteren van anderen is, uitsluitend vanwege het lijden dat er het gevolg van is, dan is het goede alles wat daar diametraal tegenover staat. Het goede is alles wat voorkomt dat dat soort dingen gebeurt.

Dit is zijn antwoord op nihilisten en op cynici. Het lijden is zo echt, zo werkelijk, dat niemand zich achter nietszeggende argumenten kan verschuilen. We kunnen het niet totaal uitbannen, daarin falen de totalitaire denkers. We kunnen echter wel voorkomen dat wij het doelbewust vergroten. Dat doen, dat is het goede.

Ethische conclusies

De bovenstaande gedachte is het ethische fundament van Peterson. Vanuit dit idee van dat doelbewust lijden toebrengen het Kwaad is, en dat voorkomen het goede is, komt hij tot zijn andere principes, die we ook in de eerdere regels tegengekomen:

Richt je blik omhoog. Let op. Fix wat je kunt fixen. Wees niet arrogant met je kennis. Streef naar bescheidenheid, want totalitaire trots uit zich in intolerantie, onderdrukking, marteling en doodslag. Wees je bewust van je eigen ontoereikendheid, je lafheid, kwaadwilligheid, rancune en haat. Denk na over de moordzucht van je eigen geest voordat je anderen durft beschuldigen en voordat je probeert het weefsel van de wereld te herstellen. Misschien is de wereld niet schuldig. Misschien ben je het zelf. Je bent er niet in geslaagd je te onderscheiden. Je hebt je doel gemist. Je bent Gods genade niet waardig. Je hebt gezondigd. En dat alles is jouw bijdrage aan de ontoereikendheid en het kwaad in de wereld. En boven alles: lieg niet. Lieg nooit meer, nergens over. Liegen leidt naar de hel. Het waren de grote en kleine leugens van de nazistische en communistische staten die de dood van miljoenen tot gevolg hadden.

We hebben de verschrikkingen van de 20eeeuw meegemaakt. Dichter bij de hel kunnen we als mensheid niet komen, aldus Peterson. Nu is het zaak daar nooit meer van in de buurt te komen.

Hoe dat te doen? Opnieuw brengt hij de verantwoordelijkheid bij het individu naar voren. Je dient als eenling je verantwoordelijkheid te nemen en niet het kortzichtige, eenvoudige en leugenachtige na te streven, maar het betekenisvolle. Zo komt hij terug tot de regel:

Betekenis ontstaat wanneer impulsen worden gereguleerd, georganiseerd en verenigd. Betekenis ontstaat uit het samenspel tussen de mogelijkheden van de wereld en de waardestructuur die functioneert binnen die wereld. Als de waardestructuur gericht is op het verbeteren van het Bestaan, dan zal de ontstane betekenis levensondersteunend zijn. Het zal je het tegengif verschaffen voor chaos en lijden. Het zal alles relevant maken. Het zal alles beter maken.


De komende tijd zal ik deze post updaten met de zeven andere regels. Kan je niet wachten? Koop 12 regels voor het leven: een remedie tegen chaos bij een echte boekhandel, of bij Bol.

Nog niet genoeg van Peterson? Lees daarnaast wat hij te vertellen heeft over de kracht van het schrijven van essays: de moderne manier om jezelf te bewapenen.

Deze pagina bevat één of meerdere affiliate links. Lees wat ze zijn en waarom ik ze gebruik hier

Vind je dit interessant?

Ontvang elke maand interessante inzichten uit het verre verleden en opmerkelijke ideeën uit het heden.

12 comments

  1. Weliswaar een bevestiging van hoe ik de wereld reeds zag, maar wel een erg mooie verdieping en praktische invulling daarvan. Ik heb het boek besteld.

  2. Zijn sociale constructies volgens Peterson dan niet inherent aan de natuur? Of ziet hij deze dan als fundamenteel andere dingen? Hij lijkt met het voorbeeld met de kreeft het eerste te impliceren..

    1. Sociale ordeningen komen inderdaad voort uit de natuur, wat volgens mij impliceert dat het geen sociale constructen zijn. Als het sociale constructen zouden zijn, zouden het louter afspraken zijn. Volgens hem gaan sociale ordes veel dieper dan dat. Ze hebben o.a. hele diepe biologische oorzaken.

  3. Hoofdstuk drie was voor mij een zinvolle reflectie op waar mijn leven naar toe gaat. Al mijn vrienden zijn unieke mensen die allen op hun eigen manier absoluut aanbevelenswaardig zijn, maar keer ik de geest van het hoofdstuk binnenstebuiten, dan rijst de vraag of dat voor mij ook geldt en vooral zal blijven gelden. Ik heb er veel aan gehad.
    Dat Peterson in termen van uitersten spreekt is mijns inziens noodzakelijk om zijn punt duidelijk te maken, het aanbrengen van nuance is aan de lezer en vergt aanpassing aan zijn praktijk. Jij buit dit in je slotoverpeinzing perfect uit. Ga zo door, vriend.

  4. Net 2 video’s van Jordan Peterson gedownload als MP3 om te luister/wandelen in het bos. Nog even snel Pierre Capel’s “Het Emotionele DNA” besteld toen ik als aanbeveling de 12 regels kreeg.

    Heel blij met je review en de link naar dit blog. Gelijk geabonneerd op je nieuwsbrief.

    Vol blije dankbaarheid nu aan de wandel. Stukje later als gepland, maar het is de vertraging meer dan waard. Dank je wel!

    1. Beste Diny,

      bedankt voor je leuke berichtje. Ik luister zelf graag zijn college’s tijdens het afwassen. Het is heerlijk hoe we tegenwoordig lichamelijke activiteit kunnen combineren met het wijzer worden van zulke grote denkers.

      Veel wandelplezier!
      Floris

  5. Volgens mij is Free Speech niet identiek aan vrijheid van meningsuiting. Daaronder kun je allerlei uitingen vatten, ook ondoordachte, schelden enz..
    Free Speech bij Jordan is bedoeld als een middel om steeds aan zaken te mogen twijfelen. Het recht dat je hebt om chaos in je leven te mogen en te moeten onderzoeken. Daarbij wordt het zoekkader altijd bepaald door de 12 leefregels en het recht om als individu door het leven te gaan. Het is vanuit deze opvatting dat hij op zeer beargumenteerde wijst op de rechtse en linkse ideologieën die het individu dwingen om in hun denkkaders te denken.
    Veelzeggend is dat een SP kamerlid serieus meent dat Jordan voor het sharia huwelijk is. Ik geniet van de bijdragen van Floris. Ik had eerst het Engelse boek.

    1. Bedankt voor je reactie. Peterson begrijpt grotendeels free speech zoals John Stuart Mill dat deed. Hij noemt zichzelf ook een classical liberal, verwijzende naar de traditie van Mill. Het gaat dus inderdaad om het ultieme recht aan overtuigingen te blijven twijfelen, niet om zomaar alles te kunnen roepen. Het moet gaan om het vinden van waarheid. Zie voor Mills opvattingen over dit onderwerp het volgende artikel van mijn hand: http://deidioot.nl/john-stuart-mill-belang-vrijheid-meningsuiting/

  6. Sinds het beruchte interview door Cathy Newman op Channel 4 (gotcha !) volg ik Jordan Peterson op twitter en heb al vele van zijn lectures op Youtube gezien.
    Zijn boek 12 rules for life gekocht en daarna toch ook nog de Nederlandse versie om het beter te kunnen doorgronden en begrijpen. Zelfs dat vind ik soms lastig.
    Daarom heel veel dank en complimenten Floris voor je heldere toelichting en persoonlijke kanttekeningen. Ik vind het zeer waardevol !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*