Leren te leven: Montaigne over leren te sterven

Het nut van het leven ligt niet in de lengte ervan, maar in wat u ermee doet: sommigen hebben lang, maar weinig geleefd; zolang u er bent moet u daar op letten. Het hangt van uw wil af, niet van het aantal jaren, of u voldoende hebt geleefd.

Wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer, stelt Epicurus in zijn Brief over het geluk. De dood gaat ons levenden dus niets aan. Maar dat is te makkelijk gedacht, aldus Montaigne.

Michel de Montaigne (1533–1592), uitvinder van het essay, het probeersel, schrijft in zijn uitmuntende Filosoferen is leren te sterven (Engels online | Frans online), hier vertaald door Frank de Graaff, dat we onze sterfelijkheid voortdurend onder ogen moeten zien.

Wegkijken is geen optie:

Het einddoel van onze levensweg is de dood; daarop hebben we onvermijdelijk onze blik gericht: als hij ons schrik aanjaagt, hoe is het dan mogelijk een stap te verzetten zonder angstzweet? De massa heeft als remedie er niet aan te denken. Maar is het geen dierlijke stompzinnigheid, die zo’n grove blindheid mogelijk maakt? Daarvoor moeten zij de ezel achterstevoren inspannen en bij z’n staart leiden,

Qui capite ipse suo institiot vestigia retro.

[Die zich in z’n kop heeft gezet achteruit te lopen.] (Lucretius, IV, 472)

Het is geen wonder dat ze zo vaak in de val lopen. Je jaagt zulke mensen de schrik al op het lijf door de dood alleen maar te noemen; de meesten slaan een kruis alsof je het over de duivel hebt. En omdat er in testamenten over gesproken wordt hoeft u niet te verwachten dat ze daar eerder aan beginnen dan wanneer de dokter het laatste vonnis over hen geveld heeft; en God weet hoe goed ze dan, tussen pijnen en angsten door, hun hersens nog bijeen hebben om er iets van te bouwen.

In plaats van bang zijn voor de dood, of het compleet te negeren, moeten we deze onontkoombaarheid die immer volgt op het leven met open vizier tegemoet treden:

[We moeten] leren stand te houden en hem te bevechten. En laten we, om allereerst zijn belangrijkste voorsprong op ons ongedaan te maken, een weg kiezen die tegengesteld is aan de gebruikelijke. We moeten de dood zijn vreemdheid ontnemen, ons vertrouwd met hem maken, aan hem wennen en aan niets zo vaak denken als hem. We moeten hem ieder moment in al zijn verschijningsvormen ons voor de geest roepen. Als een paard struikelt, een pan van het dak valt, ja bij de minste speldesprik moeten we iedere keer onmiddellijk overpeinzen: Zo, en als dit de dood zelf nu eens was? En daarbij moeten we de tanden op elkaar bijten en ons sterk maken. Laat dit te midden van feestgedruis en jolijt altijd het refrein zijn dat ons aan ons lot herinnert; we moeten ons nooit zo door het lot laten meeslepen, dat we ons intussen niet af en toe herinneren van hoeveel kanten die vrolijkheid van ons niet bedreigd wordt door de dood en op hoeveel manieren zij niet het gevaar loopt te worden weggerukt. De Egyptenaren deden het als volgt: midden onder hun gelagen, als de feestvreugde op haar hoogst was, lieten ze als waarschuwing voor de gasten een menselijk skelet binnendragen.

Omnem crede diem tibi diluxisse supremum.
Grata superveniet, quae non sperabitur hora.

[Denk bij het aanbreken van iedere nieuwe dag dat het de laatste is die je zult zien. Voor ieder uur waar je niet vast meer op rekent zul je dankbaar zijn.] (Horatius, Brieven, I, 4, 13-14)

Waar de dood ons wacht is onzeker; laten we hem overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op je vrijheid. Wie geleerd heeft te sterven, heeft afgeleerd om slaaf te zijn. Kunnen sterven bevrijdt ons van alle onderwerping en dwang. Er is niets ergs meer in het leven voor wie goed begrepen heeft dat het niet erg is het leven te verliezen.

Het feit dat we nu nog leven is in vele zinnen afhankelijk van allerlei toevalligheden. Vandaag of morgen kan ons huis instorten, kunnen we onder een auto belanden of kan de bliksem inslaan.

Hoe voorzichtig we ook trachten te leven, zelfs de meest creatieve geest kan nooit met ieder gevaar rekening houden:

Hoeveel manieren heeft de dood niet om ons te verrassen?

Quid quisque vitet, nunquam homini satis
Cautum est in horas.

[Niemand kan voldoende voorzien welke gevaren hij van uur tot uur moet vermijden.] (Horatius, Oden, II, 8, 13–14)

[…] .

[A]angezien wij door zoveel manieren van sterven bedreigd worden, is het dan niet veel minder erg er één te ondergaan dan ze alle te vrezen?

Daarom beveelt Montaigne zichzelf, net als keizer-filosoof Marcus Aurelius in zijn overpeinzingen, dat hij niets moet uitstellen tot morgen. Het kan immers zo voorbij zijn:

Onophoudelijk herhaal ik bij mijzelf dit refrein: ‘Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kan doen.’ In feite brengen de risico’s en gevaren ons weinig of niets dichter bij ons einde; en als wij bedenken hoeveel miljoenen andere gevaren, naast datgene wat ons het meest lijkt te bedreigen, ons ook nog boven het hoofd hangen, zullen we tot de conclusie komen dat de dood altijd even dichtbij is, of we nu gezond zijn of koorts hebben, thuis zijn of midden op zee, een veldslag leveren of in ruste zijn.

We maken voortdurend toekomstplannen die ver voorbij vandaag gaan. We willen – of moeten – nog dit, en dit, en dit, en dat… alsof ons leven pas compleet zou zijn als we ons levens-to-do lijstje volledig hebben afgewerkt.

De altijd op de loer liggende dood dwingt ons ons leven niet langer te beschouwen als een to-do lijstje. We moeten ons bewust worden van wat we nu aan het doen zijn. Leren te sterven leert ons te leven:

We moeten altijd, voor zover het in onze macht ligt, toegerust klaarstaan om te vertrekken en vooral voor zorgen dat we dan alleen met onszelf te maken hebben:

Quid brevi fortes jaculamur aevo
Multa?

[Waarom, in zo’n kort leven, zo vele plannen?] (Horatius, Oden, II, 16, 17)

[…]

Men moet geen plannen maken voor zo’n lange termijn, of tenminste niet met een hartstochtelijke inzet om ze ook voltooid te zien. De mens is geboren om bezig te zijn:

Cum moriar, medium solvar et inter opus.

[Laat de dood, als hij komt, mij midden uit mijn werk halen.] (Ovidius, Amores, II, 10, 36)

Ik wil dat men dingen doet en zijn levenstaken zo lang mogelijk voortzet; ik wil dat de dood mij aantreft terwijl ik mijn kool plant, en dat ik mij niet druk om hem maak en nog minder om de tuin die niet afgemaakt is.

De Essays van Montaigne verbazen me keer op keer. Het is het perfecte leesvoer voor een koude winternacht. Bekijk ook Montaigne over lezen, de seksuele gelijkheid van de man en vrouw en de ervaring. Vul je leeservaring verder aan met zijn tijdgenoot Bacon, die onder andere pende over studeren.

Vind je dit interessant?

Ontvang elke maand interessante inzichten uit het verre verleden en opmerkelijke ideeën uit het heden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*