Wat moet ik doen? Kierkegaards vraag en antwoord

Vóór men iets anders kent, moet men eerst zichzelf leren kennen. Niet voordat een mens zichzelf innerlijk heeft begrepen en dan zijn weg voor zich ziet, krijgt zijn leven rust en betekenis

Privé-domein 174 - DagboekenWat moet ik doen? Het is misschien wel de belangrijkste vraag ooit. Sommige denkers stelden algemene regels op die voor iedereen zouden gelden. Zo schreef Epicurus in zijn Brief over het geluk dat we pijn en angst moeten vermijden en meende Epictetus dat het gaat om het besef wat wel en wat niet in je macht ligt. Op die inzichten zouden we allemaal ons leven kunnen baseren.

Een compleet ander antwoord vinden bij Søren Kierkegaard, die vanaf zijn 21e Dagboeken bijhield en zichzelf dezelfde vraag stelde: wat moet ik doen? In de beroemdste passage, hier vertaald door Cora Polet, uit zijn dagboeken (die in totaal meer dan 7000 pagina’s beslaan!), vraagt hij zich af wat zijn levensbestemming is:

Waar het mij aan ontbreekt is aan helderheid ten aanzien van mijzelf, de vraag is: wat moet ik doen, niet wat moet ik weten, behalve dan voor zover weten aan elk handelen voorafgaat. Waar het op aankomt is te begrijpen wat mijn bestemming is, te zien wat God wil dat ik zal doen; waar het op aankomt is een waarheid te vinden, die een waarheid voor mij is; de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven. Wat zou mij het baten als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou ontdekken; als ik mij door alle filosofische systemen heen werkte en er, desgevraagd, kritieken over kon schrijven; dat ik in elk systeem de inconsequenties aan zou kunnen wijzen;– wat zou het mij baten als ik een staatsvorm zou kunnen ontwerpen en de her en der vandaan gehaalde onderdelen tot een eenheid kon samensmelten, een wereld construeren, waarin ik niet leefde, maar die ik alleen aan anderen voorhield;– wat zou het mij baten als ik de betekenis van het christendom uiteen zou kunnen zetten, de talloze geïsoleerde fenomenen zou kunnen verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven niet van diepere betekenis zouden zijn?

Met deze gedachtegang wordt het existentialisme – de stroming waarin het draait om de subjectiviteit, de individuele vrijheid – onofficieel geboren.

De subjectieve ervaring, vanuit de ik, doet ertoe. De objectiviteit laat Kierkegaard koud:

Wat zou het mij baten als de waarheid koud en naakt voor mij stond, al dan niet door mij aanvaard, en eerder een bang huiveren zou bewerkstelligen dan een overgave vol vertrouwen? Toch wil ik niet ontkennen dat ik de imperatief van het kennen aanvaard; en dat de mensen daardoor beïnvloed kunnen worden, maar dan moet het gekend voor mij als levende kennis opgenomen kunnen worden: fit is het wat ik nu als het belangrijkste zie. Dit is het waarnaar mijn ziel dorst, als de woestijnen in Afrika naar water. Dit is het wat me ontbreekt en daarom ben ik als een man die meubels heeft vergaard en kamers gehuurd, maar de geliefde nog niet heeft gevonden die voor- en tegenspoed in het leven met hem zal delen.

Kennen om het kennen, koude kennis, daar hebben we dus niets aan. Waar het om draait volgens Kierkegaard is levende kennis:

Juist omdat het leven niet gezond is, maar kennis te veel domineert, worden ideeën niet gezien als de natuurlijke bloemen aan de boom van het leven, worden ze niet als zodanig aangehangen, als ideeën die alleen zó betekenis hebben–maar als afzonderlijke lichtflitsen, alsof het leven verrijkt wordt door een hoeveelheid, om het zo maar eens uit te drukken, oppervlakte-ideeën.

Vergelijk dit ook met het verwijt dat Nietzsche Kant maakt als hij zich afvraagt welke filosoof als voorbeeld voor het leven kan dienen.

Wat moet Kierkegaard doen?

Hij schrijft dat het voor hem geen zin heeft zich nog meer op het leven te storten. Dat heeft hij vroeger al gedaan en dat werkte niet, omdat hij de grond miste waarop hij zijn bestaan kon bouwen:

Wat ik ontbeerde was de volledigheid van het menselijk bestaan, ik wilde niet een bestaan van weten alleen leiden, opdat ik de ontwikkelingsgang van mijn denken niet op iets–ja, op iets dat men objectiviteit noemt–zou baseren, niet op iets dat niet van mij is, maar op iets dat verbonden is met de diepste wortels van mijn existentie, waardoor ik zo te zeggen in het goddelijke ben geïmplanteerd en waar ik me aan vasthoud ook al zal de hele wereld vergaan. Kijk, dit nu is het wat ik ontbeer en waar ik naar streef.

Wat moet hij wel doen? Wat moet jij doen? Wat moet ik doen?

Zelfkennis – voor de Franse essayist Montaigne de reden waarom we moeten lezen en voor de Romeinse filosoof Cicero de reden waarom vrienden zo belangrijk zijn – dat moet hij verkrijgen. Pas daarna valt die vraag te beantwoorden:

Vóór men iets anders kent, moet men eerst zichzelf leren kennen. Niet voordat een mens zichzelf innerlijk heeft begrepen en dan zijn weg voor zich ziet, krijgt zijn leven rust en betekenis…

De Dagboeken van Kierkegaard staat bij mij bovenin de boekenkast, gebroederlijk naast het werk van Nietzsche, die schreef over de noodzaak van alleen zijn en de filosoof als voorbeeld. Vul je leeservaring verder aan met de gedachten van nog een briljante eenling: Gustav Flaubert, die in zijn brieven schreef waarom hij de krant niet las.

Vind je dit interessant?

Ontvang elke maand interessante inzichten uit het verre verleden en opmerkelijke ideeën uit het heden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*