Ik kan alles. Denk ik. En ik verwacht ook dat het van mij verwacht wordt. Er zijn geen remmen [of] obstakels. Ik heb een gevulde bankrekening, een torenhoog IQ en een goede gezondheid. Het zijn mijn voorwaarden voor succes. En daarvoor moet ik dankbaar zijn, want het grootste gedeelte van de wereld mist een van deze cruciale eigenschappen. Hun toekomst rust daarmee op mijn schouders. Als het mij niet lukt, wie dan wel?

Dit citaat is het begin van het winnende studenten essay van de veerstichting. Dat essay werd uit vijfhonderd essays gekozen en gepubliceerd in het NRC omdat het ‘zo goed de tijdsgeest aangaf’. Toen ik de documentaire Alles wat we wilden van Sara Domogala keek, moest ik telkens weer aan dit essay denken.

De documentaire en het winnende essay lijken dezelfde gedachte te vertolken: in een samenleving waar de American dream werkelijkheid is geworden, waar we zelf kunnen kiezen wat we willen worden—althans als je intelligent bent, veel doorzettingsvermogen hebt en bestand bent tegen de druk—komen we alsnog in de problemen. Of juist doordat de mogelijkheden grenzeloos zijn, en we volledig ons eigen leven kunnen bepalen, wordt het ons te veel.

 De vermoeide samenleving

Het idee dat het leven velen te veel wordt sluit erg goed aan bij het essay De vermoeide samenleving van Byung-Chul Han. Hij zegt dat we lijden door de overvloed. In een samenleving zoals de onze, waar alles is gebaseerd op positiviteit, en van alles genoeg is, lijden we juist paradoxaal genoeg omdat we het nooit genoeg vinden, we willen altijd beter en meer.

In de documentaire Alles wat we wilden zien we jonge mensen, veelal kunstenaars, die stuk voor stuk vechten tegen hun eigen verwachtingen. Alhoewel ze zeggen dat ze dat van zichzelf verlangen, is het sterk de vraag of dit toch niet een verwachting is die bij hen is gecreëerd. Overal om ons heen krijgen we voortdurend de boodschap mee dat je zelf verantwoordelijk bent voor je leven, dat je jezelf kan verbeteren, kan ontwikkelen. En dat je dat ook moet doen.

Eén van de sprekers in de documentaire—zijn naam doet er niet toe dus ik noem hem maar Mike, voor mij is hij slechts een symbool—spreekt ook constant in termen van, “ik moet dit, ik moet dat”. Het ergste wat zo iemand kan overkomen is dat die dood gaat en niet heeft voldaan aan zijn eigen verwachtingen. Komt die weer, eigen verwachtingen.

Foucault sprak over zelfdisciplinering in termen van zelf de wetten leren kennen. Nu is die zelfdisciplinering volgens Han met nog zeven mijlslaarzen ‘vooruit’—misschien is achteruit een betere keuze—gegaan, het is niet meer de wet die wij internaliseren en ons eigen maken, het is nu de prestatiedrang. De gedachte dat wij ons moeten ontwikkelen, dat wij beter moeten zijn, dat het nooit genoeg is. Dat is wat wij onszelf nu maar al te graag wijs maken.

De paradox zit hem erin dat het enerzijds enorm bevrijdend voelt. Je kunt en mag alles, joepie! Maar anderzijds zien we, zoals in de documentaire, dat de druk velen te veel wordt.

Ik ken jongens van dertien jaar met een burn-out omdat ze per se op hoog niveau willen sporten, muziek maken en zich willen voorbereiden op een goede studie om later een goede baan te krijgen. Dan denk ik, doe eventjes relax. Maar goed mensen die relaxen, die echt even niks doen, die presteren niks, die produceren niks. Dus dat gedrag leren we onszelf af.

Om terug te komen op het verhaal, waar die jonge mensjes in de serie allemaal mee zitten is de vraag wanneer het genoeg is. Wanneer hoef je je niet nog verder te ontwikkelen? Wanneer heb je het gemaakt? Want eenmaal aan de top moet je nog harder werken, anders halen ze je van onder in. We zijn hyperactief geworden, aldus Han.

Een klein voorbeeldje, de schrijfster van dat winnende essay waar ik dit artikel mee begon, werkt nu voor een groot consultancy kantoor. Het beleid in een dergelijk bedrijf daarin heel eenvoudig: ‘up or out’. Of je promoveert, of je gaat eruit. Matig blijven, goed genoeg blijven, is er niet bij. Het is nooit goed genoeg. Voor haar tien anderen. Een potje vermoeiend is dit wel, laten we eerlijk zijn.

Het leven als muziekstuk

Alan Watts beschreef deze vorm van prestatieleven ooit aan de hand van een metafoor van een muziekspel, dit is prachtig te zien in dit filmpje.

Je gaat niet naar een concert voor het einde, voor de laatste noot. In dat geval zouden alle opera’s hetzelfde zijn, mensen zouden komen voor een noot, de finale – en tevens het begin – en dan weer naar huis gaan.

Watts vraagt zich af waarom velen het leven dan wel zo zijn gaan beschouwen, waarom leven we om iets te bereiken, iets te presteren? Telkens zeggen we tegen onszelf: het geluk is daar, achter de horizon. Als je maar hard genoeg je best doet, en dat kan je, dan haal je het. En dan ben je er, en dan is het er? Nee, het geluk is altijd daar verderop pas. En zo blijven we ons hele leven bezig zonder het geluk ooit te vinden. Deze prestatiedrang is nu misschien wel groter dan ooit, dit zien we in ieder geval in de documentaire terug.  

Kanttekening

Toch wil ik een kanttekening maken tegen het idee dat we allemaal maximaal willen presteren en o zo vermoeid zijn. Kijk, al die vermoeide mensen, ze zijn totaal afgepeigerd, en nog steeds niet tevreden, maar dit zijn toch wel grotendeels mensen van een bepaald type. Vaak zijn ze ruim bovengemiddeld intelligent, creatief en sociaal redelijk vaardig. Want alleen zij zien die oneindige mogelijkheden voor zich, hebben het idee dat ze alles kunnen, en ook moeten. Laten we eerlijk zijn, iemand die moeite heeft om zijn veters te strikken, zal misschien wel gewoon tevreden zijn met een baan bij de McDonalds. Het zijn juist deze ‘nieuw intellectuelen’ die de behoefte en noodzaak voelen iets te maken van hun leven en dit tevens met iedereen te delen.

Want stel je voor: je blijft onopgemerkt, je bent niemand, dat is het ergste wat je nu nog kan overkomen.

Ik denk dus dat er niet moet worden overdreven met deze analyse van alles willen en alles denken te kunnen. Goed, ik zie het in de documentaire, en ik zie het om mij heen, maar misschien is dat ook wel omdat je gelijksoortige mensen aantrekt. Ik studeer tenslotte op de universiteit, eveneens als vrijwel al mijn vrienden, familie en kennissen.

Als ik dan denk aan de mensen die ‘gewoon’ een beroep hebben als kraamverzorger of kraanmachinebestuurder, dan zie ik dat bij hen, dat hele alles kunnen en alles moeten, veel minder speelt. Dientengevolge lijken zij ook helemaal niet te lijden aan die specifieke problemen van de documentaire. Als ik zou zeggen burn-out, roepen zij: “doe toch normaal joh, neem een biertje en kijk Ajax.” Die prestatiedruk waar Han het dus ook over heeft moet niet te veel overschat worden. Goed, het is aanwezig in een laag van de bevolking, maar (nog) niet bij iedereen.

Ondertussen denk ik aan die jongelui die alles uit hun leven willen—of moeten— halen, ik ga lekker op de bank liggen met een biertje. Hier nog een citaat uit dat winnende essay om het af te sluiten.

Ik moet alles. Denk ik. En ik verwacht ook dat het van mij verwacht wordt omdat ik alles kan, weet, vind en wil. Ik moet iets kiezen, maar ik kan het niet goed doen. Ik ben bang dat ik alles misloop, dat ik achterblijf, dat ik voorbij wordt gestreefd. Ik ben dankbaar voor mijn vrijheid, maar vind haar tevens een last. Mijn geluk is maakbaar, maar bevindt zich altijd in de toekomst. Niets doen is geen optie, maar zekerheid behoort niet tot de keuzes. Vele wegen leiden naar alles en zolang het kan, blijf ik rechtdoor lopen, bang om een afslag te nemen, een richting te kiezen. Ik moet alles maar ik kan, vind, wil en weet even helemaal niets meer… zeker.

boeken bestellen = steunen

Iedere maand steek ik tientallen uren en euro's in De idioot.

Steun dit project en bestel je boeken bij Athenaeum Boekhandel. Kost je niks extra's, levert mij een beetje op. Voor een kop koffie, een boek. Meer over deze samenwerking lees je hier.

maandelijkse nieuwsbrief

Ontvang elke maand interessante inzichten uit het verre verleden en opmerkelijke ideeën uit het heden.

2 reacties
  1. In één van zijn blogs zegt het Gerhard Hormann het treffend:

    “Ik denk dat het probleem ook niet zozeer is dat de huidige generatie Z gebukt gaat onder te hoge verwachtingen van de maatschappij, maar dat juist precies het omgekeerde het geval is.

    Deze generatie heeft zélf zulke torenhoge verwachtingen van het leven dat het alleen maar kan tegenvallen.

    Je eerste verantwoordelijkheid als mens is om in je eigen onderhoud te voorzien, een bestaan op te bouwen en wellicht later ook een gezin te onderhouden.

    Dat is een heel ander, en meteen ook wel veel overzichtelijker en helderder uitgangspunt dan jezelf maximaal te ontplooien, beroemd worden, kijken waar je gelukkig van wordt, zoveel mogelijk van de wereld zien en uitvogelen wat je nou eigenlijk echt wil met je leven om vervolgens als een dood vogeltje te eindigen op de bank.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.