Jordan Peterson: 12 regels voor het leven. Uitgebreide bespreking.

Een jaar lang keek ik dagelijks colleges van Jordan Peterson, een Canadese psycholoog die inzichten uit de filosofie, psychologie, theologie, mythologie, wereldgeschiedenis en literatuur naadloos met elkaar verbindt. Centraal staat de vraag: hoe moet je leven?

Friedrich Nietzsche, Carl Gustav Jung, Aleksandr Solzjenitsyn en Fjodor Dostojevski zijn de hoofdrolspelers. Peterson combineert hun ideeën met moderne inzichten uit de biologie en neurowetenschappen. Hij doet dit zo goed dat ik na ieder college de neiging krijg te applaudisseren.

12 regels voor het leven Jordan PetersonOm zijn ethiek toegankelijker te maken voor een breed publiek heeft hij een boek uitgebracht: 12 regels voor het leven: een remedie tegen chaos (bij Bol kopen). Hierin heeft hij zijn denkbeelden gedestilleerd tot twaalf regels.

‘Regels? Maar dat is toch niet van deze tijd?’ vraag je je misschien af. Ja, regels. Het is een normatieve ethiek. Hij schrijft werkelijk voor wat bijdraagt aan een betekenisvol bestaan, gebaseerd op wetenschappelijke en filosofische inzichten. Mij heeft hij flink aan het denken gezet en mijn leven positief veranderd. Daarom schijn ik graag mijn licht op zijn twaalf regels.

De komende tijd zal ik alle twaalf de regels bespreken. Hieronder volgen vast de eerste vier.

Inhoudsopgave

Regel 1 / Sta rechtop met je schouders naar achteren
Regel 2 / Behandel jezelf als iemand voor wie je verantwoordelijk bent
Regel 3 / Word vrienden met degenen die het beste voor je willen
Regel 4 / Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met hoe iemand anders vandaag is
Regel 5 / Laat je kinderen niet iets doen waardoor je een hekel aan ze krijgt
Regel 6 / Krijg je huis in perfecte staat voordat je de wereld bekritiseert
Regel 7 / Jaag na wat betekenisvol is (en niet wat eenvoudig is)
Regel 8 / Vertel de waarheid, of ten minste–lieg niet.
Regel 9 / Neem aan dat de persoon naar wie je luistert iets te vertellen heeft wat je nog niet weet
Regel 10 / Wees precies in je woorden
Regel 11 / Laat kinderen met rust als ze aan het skateboarden zijn
Regel 12 / Aai een poes als je er een tegenkomt op straat

[Invouwen]

Inleidende opmerkingen

De regels. Uiteindelijk draait het niet écht om de regels. Ze zijn veelal een begin- of eindpunt van een gedachtegang. Zonder de gedachtegangen zijn de regels weinig meer dan clichés, vandaar dat ik die hele gedachtegangen bespreek.

Andere denkers. In de tekst staan verwijzingen naar ideeën die aansluiten of contrasteren met de ideeën van Peterson. Deze verwijzingen zijn veelal van mijn hand, bedoelt om te laten zien hoe zijn denken zich verhoudt tot die van andere denkers.

Kanttekeningen. Deze bespreking is niet slechts een samenvatting van het boek. Alhoewel ik gecharmeerd ben van Peterson en sommige passages ronduit briljant vind, vliegt hij hier en daar uit de bocht. Daarom plaats ik wanneer nodig kanttekeningen, waarin ik mij kritisch verhoud tot de gepresenteerde gedachtegang.

Alle twaalf de regels

Abonneer je op de maandelijkse nieuwsbrief en hoor wanneer de andere regels zijn verschenen.

Regel 1
Sta rechtop met je schouders naar achteren

Mini-samenvatting

Dit hoofdstuk gaat over kreeften. (En over hoe we daar meer op lijken dan we beseffen.) Ze leven in dominantiehiërarchieën, net als wij. Degenen aan de top hebben verreweg het meeste (voedsel, vrouwtjes, schuilplaatsen, etc.), net als degenen aan de top in onze wereld.

Ongelijkheid is dus een fundamenteel onderdeel van de natuur. Dit betekent niet dat ongelijkheid geen probleem is, alleen dat de oorzaken dieper liggen dan onze sociale structuren – en dus niet louter de schuld is van kwaaie kapitalisten. Kreeften hebben al ongelijkheid!

Net als kreeften zijn we ons van onze status bewust. Sommigen bungelen onderaan de dominantiehiërachie. Door tegenslag raken ze in een zelfversterkende negatieve cirkel. Zij ervaren meer stress, worden vaker ziek en hebben minder partnerkeuze.

Klote, dus. Wat te doen? Rechtop staan, zowel metaforisch als letterlijk.

[Invouwen]

Het voorgerecht: de kreeft

Wat gebeurt er als je werkelijk verloren hebt? Je druipt af. Ineenkruipen na een nederlaag, wij doen het, maar wij waren niet de eersten. Petersons protagonisten van het eerste hoofdstuk, kreeften, deden het 350 miljoen jaar geleden al. Ter vergelijking: 65 miljoen jaar geleden waren er nog dinosaurussen.

Peterson beschrijft hoe kreeften op de bodem van de zee leven. Goede verstopplekken zijn schaars, maar van levensbelang. Tijdens verkenningstochten stuiten kreeften soms op elkaar. Wat ontstaat is een dominantiestrijd. De kreeft (hier door mij vertaald):

Begint rond te dansen als een bokser, zijn klauwen geopend en uitgestoken, voorwaarts bewegend, achterwaarts, van de ene kant naar de andere, zijn tegenstander spiegelend, heen en weer zwaaiend met zijn open klauwen. Tegelijkertijd gebruikt hij een speciale klep onder zijn ogen om vloeistof naar zijn tegenstander te sturen. De vloeistof bevat een mengsel van chemicaliën die de andere kreeft vertelt over zijn grootte, geslacht, gezondheid en gemoedstoestand.

Soms werkt de boksersdans en de chemische uitwisseling van informatie de-escalerend. Eentje trekt zich terug. Soms niet. Peterson beschrijft hoe de strijd dan intensiveert. Klauwen zwaaien in het rond. Trekt niemand zich terug? Escalatie. Ze proberen elkaar op de rug te leggen. Lukt dit niet of geeft de verliezer nog niet op? Nog verdere escalatie. Nu wordt het ware strijd waarin een of beide kreeften heftig, of wellicht dodelijk, gewond zal raken.

Interessant is wat er met de verliezer gebeurd na zo’n heftige strijd:

Een verslagen strijder verliest zelfvertrouwen, soms voor dagen. Soms kan het verlies nog ergere consequenties hebben. Als een dominante kreeft zwaar verslagen is lost zijn brein praktisch op. Dan groeit het een nieuw, ondergeschikt brein­ – een die beter past bij zijn nieuwe, lage positie. Zijn originele brein was simpelweg niet geraffineerd genoeg om de transformatie van koning naar kneus te overleven zonder complete ontbinding en hergroei. Iedereen die wel eens een pijnlijke transformatie heeft meegemaakt na een serieuze nederlaag in de liefde of het werk voelt misschien wel wat verwantschap met het ooit succesvolle schaaldier.

Het zijn hormonen die dit gedrag veroorzaken, dezelfde hormonen die een cruciale rol spelen in het managen van onze gemoedstoestand. Sterker nog, Peterson wijst op een opmerkelijk onderzoek dat laat zien dat het toedienen van antidepressiva verslagen kreeften opvrolijkt en strijdbaar maakt.

De dominantiesoep: de winnaar neemt het allemaal

Vanaf hier maakt Peterson de denkbeweging naar ongelijkheid. Winnende kreeften staan bovenaan de dominantiehiërarchie en hebben het goed voor elkaar:

Het duurt niet heel lang voordat kreeften, elkaar uittestend, leren met wie je kunt kloten en wie je een met een ruime bocht wilt passeren – en vanaf het moment dat ze dat geleerd hebben is die hiërarchie buitengewoon stabiel. Het enige wat een winnaar hoeft te doen, als hij gewonnen heeft, is zijn antenne agressief wiebelen en de vorige tegenstander stuift weg in het zand. Een zwakkere kreeft zal stoppen met proberen, zijn lagere status accepteren, en zijn ledematen aan zijn lichaam houden. De kreeftenbaas, ter contrast – wonend in de beste schuilplaatsen, voldoende rust krijgend, goede maaltijden verorberend – paradeert dominant rond in zijn territorium, ondergeschikte kreeften ’s nachts wakker makend, slechts om hun te herinneren wie de baas is.

De succesvolle kreeften hebben een onevenredige hoeveelheid schuilplaatsen en aanbidders. Ze hebben bijna alles. Volgens Peterson hebben vrouwelijke kreeften het selectieproces van het kiezen van een geschikte partner uitbesteed aan de mannetjes. Zij mogen het uitvechten en de vrouwtjes werpen zich aan de voeten van degenen die er bovenuit steken.

Zulke dominantie hiërarchieën spelen volgens Peterson een cruciale rol in evolutie:

De dominantie hiërarchieën zijn een essentieel permanent kenmerk geweest van de omgeving waaraan al het complexe leven zich heeft aangepast. Een derde van een miljard jaar geleden waren breinen en zenuwstelsels relatief eenvoudig. Niettemin hadden ze al de structuur en de neurochemie die noodzakelijk is om informatie te verwerken over status en de maatschappij. Het belang hiervan kan nauwelijks worden overschat.

Het hoofdgerecht: de mens

Ook bij mensen speelt de dominantiehiërachie een cruciale rol. 1% van de bevolking heeft evenveel rijkdom als de onderste 50%.

Als het om geld gaat, kennen we dit soort statistieken allemaal. Maar – en dit is een cruciaal punt – volgens Peterson geldt dit niet alleen voor geld:

Hetzelfde brute principe van ongelijke verdeling geldt buiten het financiële domein–inderdaad, overal waar creatieve productie nodig is. De meerderheid van wetenschappelijke artikelen wordt gepubliceerd door een hele kleine groep wetenschappers. Een kleine fractie van de muzikanten produceert vrijwel alle commerciële muziek. Slechts een handvol auteurs verkoopt alle boeken. Anderhalf miljoen verschillende titels worden ieder jaar in de Verenigde Staten verkocht. Echter, slechts vijfhonderd hiervan verkopen meer dan honderdduizend exemplaren.

Dit principe wordt soms ook wel Price’s law genoemd, of the Matthews Principle. Degenen die veel hebben zullen meer krijgen, degenen die minder hebben minder. Volgens Peterson is ongelijkheid in onze samenleving dus niet louter het gevolg van sociale constructies, van het kapitalisme, maar inherent aan de natuur. Ongelijkheid nemen we al waar bij kreeften: het bestond 350 miljoen jaar geleden al.

Zo zien we ook dat vrouwen, net als hun kreeftelijke tegenhangers, de mannen het laten uitvechten. Topsporters, musici, kunstenaars, CEO’s, de absolute toppers uit verschillende domeinen hebben de vrouwen voor het uitkiezen. Meer in Petersons termen: degenen die heersen in de dominantiehiërarchie worden beloond.

Het grote verschil tussen kreeften en mensen is echter dat bij ons fysieke kracht onvoldoende is voor langdurige dominantie.

Kantekening

Dit inzicht zien we ook al terug bij de filosoof Thomas Hobbes. Hij meende dat het leven in de natuurstaat, voordat er overheden waren, bruut, naar en kort was. Geen enkel individu was sterk genoeg om drie gehaaide anderen te weerstaan, daarom zou er nooit een stabiele samenleving ontstaan en was het een oorlog van allen tegen allen, aldus Hobbes.

Peterson zou het slechts deels eens zijn met deze Hobbesiaanse analyse. Hij maakt met behulp van de wetenschappelijke studies over chimpansees van de Nederlandse primatoloog Frans de Waal het volgende punt:

Het klopt dat fysieke kracht onvoldoende is voor dominantie bij mensen, dit zien we al bij chimpansees: ‘zelfs de meest brute, despotische chimpansee kan namelijk worden neergehaald, door twee tegenstanders, ieder driekwart zo gemeen.’ Echter, dit betekent niet dat er bij primaten geen stabiele dominantie kan ontstaan, slechts dat fysieke kracht en agressie niet de belangrijkste factor is. Wat dat wel is? Het aangaan van wederkerige relaties.

[Invouwen]

Het hoofdgerecht ontleed: de interne statusmachine

Volgens Peterson dragen we allemaal een interne rekenmachine, diep in ons brein, nog primitiever  en fundamenteler dan onze gedachten en gevoelens, die onze plaats in de maatschappij bijhoudt. Dit is wat we hebben overgeërfd van de kreeften. Onze hormonen hangen samen met deze plaats. Mensen onderaan de ladder maken minder serotonine aan en zijn daardoor gevoeliger voor stress. Ze besteden meer energie aan het rekening houden met mogelijke crisissen.

Deze interne rekenmachine functioneert niet perfect. Slechte slaap- en eetgewoontes hebben negatieve gevolgen. Een ander mogelijk probleem zijn onze feedback loops. Gedrag stimuleert zichzelf:

Onze angstsystemen zijn zeer praktisch. Ze nemen aan dat alles waar je voor wegrent gevaarlijk is. Het bewijs is, natuurlijk, het feit dat je wegrende.

Neem bijvoorbeeld een man die iedere dag na werktijd door zijn baas nog een aantal uren aan het werk wordt gezet. Hij wil aan zijn baas vragen of het wat minder kan, hij krijgt er immers niet extra voor betaald. Hij heeft de vraag al weken uitgesteld en besloten vandaag op zijn baas af te stappen. Het is druk op het werk en de baas lijkt geïrriteerd. ‘Misschien morgen, ik wil hem toch niet lastig vallen,’ denkt hij. Zo heeft hij weer voor zichzelf bevestigt dat het eng is om een dergelijke vraag te stellen. Het zal de volgende keer nog lastiger zijn.

Het dessert: rechtop staan

Peterson beschrijft hoe sommigen opgroeien met de overtuiging dat iedere vorm van agressie slecht is. Ze denken dat goed zijn betekent dat je niet in staat bent iets slechts te doen. Nee, werkelijk goed zijn is volgens Peterson kwaad kunnen doen, maar kiezen om het niet te doen. Het is als het rondlopen met een zwaard, maar deze in de schede latende.

Degenen die alleen maar medelijden voor anderen tonen en zichzelf voortdurend opofferen kunnen niet voldoende agressie oproepen om voor zichzelf op te komen. Ze zijn naïef en er wordt misbruik van hen gemaakt. Ze eindigen onderaan de dominantieladder omdat ze iedere vorm van agressie hebben uitgeschakeld. Ze zijn zwaardloos. Ze zullen de ander, of nog erger, het bestaan zelf, gaan haten.

Dit is wat Peterson bedoelt met rechtop staan met je schouders naar achteren: leren voor jezelf op te komen:

Als je kunt bijten, hoeft het meestal niet. Het vermogen met agressie en geweld te reageren, zal indien op de juiste manier geïntegreerd, juist de kans dat geweld noodzakelijk is verkleinen. Als je nee zegt, wanneer de onderdrukking net begint, en je meent wat je zegt (wat betekent dat je je weigering in duidelijke termen formuleert en je achter je woorden staat) dan zal de hoeveelheid onderdrukking beperkt blijven.

Naast de metaforische betekenis bedoelt hij het letterlijk. Rechtop staan betekent je fysieke houding veranderen, we meten immers net als kreeften iemands status deel af aan uiterlijke kenmerken:

Als je houding slecht is – als je ingezakt bent, met schouders voorwaarts en gebogen , borst ingetrokken, hoofd naar beneden, klein lijkend, verslagen en onbelangrijk (beschermd, in theorie, tegen aanvallen van achteren)–dan zal je je klein, verslagen en onbelangrijk voelen. De reacties van anderen zullen dit effect versterken. Mensen, net als kreeften, meten elkaar, deels door de houding. Als jij jezelf presenteert als verslagen zullen mensen op je reageren alsof je verliest. Als je begint met rechtop staan, zullen mensen anders naar je kijken en zich anders gedragen.

Wellicht denk je, maar ik sta onderaan de ladder. Als ik mij ineens groter ga gedragen zullen anderen hun ogen op mij richten en die druk kan ik niet aan. Dat is waar, erkent Peterson. Maar er is geen alternatief. Begin klein. Leven onderaan de dominantieladder is een leven vol misère.

Je kunt maar één kant op, omhoog. Bovendien werkt je zenuwstelsel anders als je zelf de keuze maakt iets lastigs te doen, het moedwillig aangaat in plaats van wacht en wacht tot het moet. ‘Je reageert op een uitdaging, in plaats van je voor te bereiden op een ramp.’

Mensen, inclusief jijzelf, zullen aannemen dat je bekwaam bent (of ten minste niet direct het tegenovergestelde concluderen). Aangemoedigd door de positieve reacties die je ontvangt zal je minder angstig worden. Je zult het makkelijker vinden aandacht te besteden aan subtiele sociale signalen die mensen uitwisselen als ze communiceren. Je gesprekken zullen vloeiender worden, met minder ongemakkelijke pauzes. Dit maakt het waarschijnlijker dat je mensen ontmoet, met ze omgaat en een goede indruk achterlaat. Dit doen verhoogt niet alleen de kans dat goede dingen zullen gebeuren–het laat ook de dingen die gebeuren beter voelen.

In tegenstelling tot kreeften kunnen wij deze analyse maken. Wij kunnen erachter komen waarom we ons op een lage positie in de maatschappij bevinden. Wij kunnen een strategie bedenken om dit tegen te gaan. Wij kunnen het onbekende confronteren, ondanks dat het eng is. Juist omdat het eng is, is het het waard. Dus, in de woorden van Peterson: ‘Sta rechtop, met je schouders naar achteren.’

Regel 2
Behandel jezelf als iemand voor wie je verantwoordelijk bent

 

Mini-samenvatting

Volgens Peterson bestaat onze wereld in de meest fundamentele zin uit orde en chaos, verkend en onverkend terrein. Zo ervaren wij het leven. We zijn ons er van bewust dat wij het lijden in de wereld kunnen vergroten, meer chaos kunnen creëren in de levens van anderen.

Dit besef zorgt ervoor dat veel mensen zichzelf, en überhaupt de mens, weinig waard achten. Maar, en dit is Petersons cruciale punt, we zijn ook in staat tot het brengen van het tegendeel: het goede. Daarom loopt de lijn van goed en kwaad door ons allemaal: recht door het hart van de mens. Een ieder kan de wereld een beetje beter maken.

Hoe daarmee te beginnen? Door voor jezelf te zorgen alsof je voor iemand zorgt van wie je houdt, omdat we daar vaak beter voor zorgen dan voor onszelf.

[Invouwen]

Orde en chaos

Sinds de wetenschappelijke revolutie, beginnend met de werken van Francis Bacon en René Descartes, bekijken we de werkelijkheid vanuit een wetenschappelijke lens. Die blik probeert de wereld objectief te grijpen, vast te pinnen. Volgens Peterson was dit niet altijd zo:

Omdat we nu zo wetenschappelijk zijn – en zo vastberaden materialistisch­ – is het ontzettend moeilijk voor ons om zelfs maar te begrijpen dat een andere manier van kijken bestaat. Maar degenen die bestonden in een ver verleden, toen de fundamentele heldendichten van onze cultuur ontstonden, waren veel meer bekommerd met handelingen die betrekking hadden op overleven (en met de wereld op zo’n manier interpreteren dat overeenkomt met dat doel) dan met iets dat in de buurt komt van wat we nu begrijpen als objectieve waarheid.
Voor de komst van het wetenschappelijke wereldbeeld, werd de werkelijkheid anders uitgelegd. Zijn werd begrepen als een plaats van handelingen, niet als een plaats van dingen.

Subjectief ervaren, hoe wij de wereld zien, is veel meer als een verhaal of een toneelstuk dan een wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid. ‘Neem pijn, bijvoorbeeld­–subjectieve pijn. Dat is iets dat zo echt is dat er geen enkel argument tegenop kan.’

In onze subjectieve ervaring bestaan volgens Peterson drie elementen. De eerste is orde. De tweede is chaos. De derde is bewustzijn, datgene wat beweegt tussen orde en chaos.

Onder chaos verstaat hij onverkend terrein:

Het is de buitenlander, de vreemde, het lid van een andere gang, het geritsel in de bosjes gedurende de nacht, het monster onder het bed, de verborgen woede van je moeder en de ziekte van je kind. Chaos is de wanhoop en afschuw die je voelt op het moment dat je diep bent verraden. Het is de plek waar je eindigt als alles uit elkaar valt; als je dromen sterven, je carrière ineenstort of je huwelijk eindigt.

Oftewel, chaos is de plek die je niet begrijpt.

Orde, daarentegen is verkend terrein. Denk aan de maatschappelijke structuren en je plek daarin kennen, net zoals de kreeften hun positie kennen. ‘Orde is stam, religie, haard, huis en land. Het is de warme, veilige huiskamer waarin de haard gloeit en de kinderen spelen.’ Oftewel, de plek waar alles gaat zoals je verwacht. Waar dingen werken. We vinden het fijn daar te zijn, omdat we daar kunnen nadenken over de toekomst.

Orde, verkend terrein, kan ieder moment uiteenvallen tot chaos, onverkend terrein. Je kunt erachter komen dat je partner al jaren vreemd gaat. Je kunt je baan verliezen. De grond kan onder je voeten vandaan vallen. Ook symbolen kunnen ineenstorten, zoals de Twin Towers. Dan ontstaat er chaos: opeens begeef je je in het onbekende. Je oude manier van de wereld begrijpen voldoet niet meer.

Orde en chaos bestaan echt volgens Peterson, in de zin dat het de manieren zijn waarop we de wereld ervaren. Het zijn geen dingen, objecten. Objecten en dingen zijn onderdeel van de objectieve wereld, de wereld van de wetenschap. We ervaren de wereld allereerst in termen van betekenis. We zien dingen eerder als gereedschappen dan als objecten. Voor we iets een stoel noemen nemen we het waar als iets om op te zitten:

Chaos en orde zijn de meest fundamentele elementen, omdat iedere geleefde situatie (zelfs iedere denkbare geleefde situatie) bestaat uit beide. Het maakt niet uit waar we zijn, er zijn dingen die we kunnen identificeren, gebruiken, en voorspellen, en dingen die we niet kennen of begrijpen. Het maakt niet uit wie we zien, een Kahalarische woestijnbewoner of een bankier op Wall Street; sommige dingen liggen in onze macht, andere dingen niet.

Hoe moeten we omgaan met die orde en chaos? Intuïtief lijkt het wellicht aantrekkelijk ons volledig in de orde te willen bevinden: daar is het veilig, bekend, weten we wat er gaat gebeuren. Toch is dat volgens Peterson niet het juiste pad:

Orde is niet genoeg. Je kunt niet slechts stabiel zijn, en veilig, en onveranderlijk, omdat er altijd essentiële en belangrijke nieuwe dingen zijn om te worden geleerd. Niettemin, chaos kan te veel zijn. Je kunt niet lang overspoeld en overweldigd worden voorbij je vermogen het hoofd te bieden als je leert wat je nog moet weten. Dus, je moet je ene voet plaatsen in wat je al de baas bent en begrepen hebt en de andere in wat je momenteel verkent en onder de knie krijgt. Dan heb je jezelf zo gepositioneerd dat de terreur van het bestaan onder controle is en je veilig bent, maar waar je ook alert en betrokken bent. Dat is waar nieuwe dingen zijn om je meester te maken en manieren waarop je kunt verbeteren. Dat is waar betekenis kan worden gevonden.

Peterson analyseert het verhaal van het Hof van Eden uit het Boek van Genesis – het eerste boek uit het Oude Testament. Hierin leven ze in een ommuurde tuin. Alles lijkt perfect, veilig, voorspelbaar: orde. Tot de slang verschijnt. Deze staat volgens Peterson voor de chaos. Het maakt niet uit hoe hoog we de muren bouwen om de chaos buiten te houden, chaos weet zich in ons leven te wurmen.

Chaos kan in vele gedaanten verschijnen. Voor de letterlijke slang hoeven we in ons land niet bang te zijn, maar de metaforische is overal. Je kind kan ziek worden, of aangereden worden. Complete bescherming is onmogelijk. Kinderen van overbeschermende moeders zijn kwetsbaar, onvoorbereid op de toekomst als ze zijn. Als ze sterk zouden zijn kunnen ze de chaos, die onvermijdelijk zal komen, misschien aan, in plaats van overspoeld te worden bij de eerste tegenslag. Dit sluit mooi aan bij de denkbeelden van de Romeinse filosoof Seneca over tegenslag.

De mens: Het chaos scheppende dier

Zelfs als we alle metaforische slangen van buiten hebben uitgesloten, onze hekken hoog genoeg gebouwd hebben, ons opgesloten hebben in een gevangenis, zouden we toch niet veilig zijn. Het is in ons mensen, en dit inzicht ontleend Peterson aan de Russiche schrijver Aleksandr Solzhenitsyn, waar de lijn tussen goed en kwaad loopt. Recht door het hart de mens zelf. Dat is waarom geen enkele muur het kwaad definitief buiten de deur zal houden.

We zijn met niemands capaciteit tot kwaad zo goed bekend als die van onszelf. Anderen zijn wellicht lelijk, schaamtevol, bang, waardeloos, defensief en wijzen voortdurend met hun vingertje, maar in onszelf herkennen we die slechte kanten als bij geen ander:

Je weet zoveel meer over jezelf. Je bent slecht, zoals andere mensen je kennen. Maar alleen jij kent de volledige omvang van je geheime zondes, onvolmaaktheden en tekortkomingen. Niemand is meer bekend met alle manieren waarop je geest en lichaam gebrekkig zijn.

Bewust van onze eigen tekortkomingen: volgens Peterson is dit een van de redenen waarom veel mensen moeite hebben voor zichzelf te zorgen. Ze hebben het gevoel dat ze het niet waard zijn. Mensen zijn zelfs beter in staat medicatie aan hun huisdieren te geven dan aan henzelf. ‘Een hond, een ongevaarlijk, onschuldig, onbewuste hond, verdient het duidelijk meer.’ Zo redeneren we dan.

Wat is het verschil tussen een mens en een hond? Honden kunnen ook vals zijn, jagen, dieren vermoorden en opeten. Wat dat betreft verschillen we weinig. Maar wij mensen zijn ons bewust van ons gedrag en er daarmee verantwoordelijk voor. Honden niet.

Waarom niet? Het is simpel. In tegenstelling tot ons hebben roofdieren geen begrip van hun eigen fundamentele zwakheid, hun eigen fundamentele kwetsbaarheid, hun eigen onderwerping aan pijn en de dood. Maar wij weten precies hoe we pijn kunnen worden gedaan, en waarom. Dat is een van de beste definities van zelfbewustzijn. We zijn ons bewust van onze weerloosbaarheid, eindigheid en sterfelijkheid. Wij kunnen pijn ervaren, schaamte, afschuw, van onszelf walgen, en we weten het. Dat is wat ons laat lijden. We weten hoe vrees en pijn ons kan worden aangedaan – en dat betekent dat we precies weten hoe we het anderen moeten aandoen.

[…]

We kunnen en maken dingen slechter, vrijwillig, met de volledige kennis van wat we doen.

Dat is waarom we volgens Peterson concepten hebben van Goed en Kwaad, met hoofdletters. We zijn als enige dieren in staat anderen te laten lijden omwille van het lijden. Ik interviewde ooit een jongen die zijn kat vegetarisch opvoedde, omdat deze een terreur is voor muizen. Het verschil tussen ons en die kat is volgens Peterson dat die kat geen begrip heeft van het lijden van de muis. Hij heeft geen begrip van Goed en Kwaad. Mensen wel. Wij kunnen een ander doelbewust laten lijden en zijn daardoor verantwoordelijk voor onze handelingen.

Misschien kom je daardoor tot de conclusie dat de mens iets is dat beter niet had kunnen bestaan. Dat de natuur zonder mensen beter is, waarin slechts de onschuldige brutaliteit van dieren bestaat. Dat de mens als kanker op aarde is, de wereld plundert en tiranniseert, en daarom beter kan sterven, zoals ook filosoof Theo Scholling meent.

Vanuit zulke gedachten zijn wij minder dan niets waard. En dan vinden we het vreemd dat we moeite hebben om voor onszelf te zorgen.

De mens: degene die chaos kan transformeren tot orde

Met zo’n blik – de mens als plunderaar, brenger van het lijden – doen we onszelf te kort. Het is goed om te realiseren dat je de wereld een slechtere plek kunt maken: door chaos te creëren, maar we moeten daarmee niet in de pessimistische valkuil trappen en denken dat de mens een kankergezwel op aarde is die alleen maar lijden veroorzaakt. Dat is slechts het halve verhaal.

De andere helft van het verhaal is dat we het lijden, dat inherent is aan het bestaan, aan de natuur, ook kunnen verzachten, wegnemen of er in ieder geval ervoor zorgen dat er niet nog meer ellende om ons heen ontstaat. We zijn in staat tot het Goede. Dat is zorgen voor een geliefde en medicijnen geven aan je hond. Daar mogen we trots op zijn:

Haat voor jezelf en de mensheid moet worden gebalanceerd met dankbaarheid voor traditie en de staat en verbazing voor wat normale, alledaagse mensen voor elkaar krijgen­–en dat zegt nog niets over de duizelingwekkende prestaties van de werkelijk opmerkelijken onder ons.

We verdienen wat respect. Jij verdient wat respect. Jij bent belangrijk voor andere mensen, net zoveel als voor jezelf. Je hebt een essentiële rol te spelen in het ontvouwen van de bestemming van de wereld. Je bent, daarom, moreel verplicht goed voor jezelf te zorgen. Je moet voor jezelf zorgen en goed voor jezelf zijn op dezelfde manier als iemand die van jou houdt voor jou zou zorgen.

Het gaat er volgens Peterson om jezelf de volgende vraag te stellen: “Hoe zou mijn leven eruit zien als ik werkelijk voor mijzelf zou zorgen?” Die weg geeft richting, voorkomt dat je hatelijk wordt en het leven veracht, gaat denken dat bewustzijn een fout is.

Zoals een van mijn favoriete filosofen, Friedrich Nietzsche, ooit zo briljant schreef: “Hij wiens leven een waarom heeft kan bijna iedere hoe dragen.” Betekenis, dat is het antwoord op de chaos die onvermijdelijk verbonden is met het bestaan. Dat is ook het antwoord waar Viktor Frankl op kwam in Auswitzsch. Zelfs de meest vreselijke plek kun je nog slechter maken, of een klein beetje beter.

Iedereen is in staat het leven een beetje dragelijker maken, voor zichzelf, en voor de anderen. Dat is volgens Peterson het juiste pad: chaos omtoveren in orde. In de woorden van Peterson:

Je kunt helpen de wereld een beetje meer richting de Hemel te sturen en net een beetje verder van de Hel te duwen. Vanaf het moment dat je de Hel begrepen hebt, onderzocht hebt, bij wijze van spreken – vooral je eigen individuele Hel – kun je besluiten daar niet heen te gaan. Je kunt ergens anders op mikken. Je kan, in feite, je leven daaraan wijden. Dat zou je leven Betekenis geven, met een hoofdletter B. Dat zou je ellendige bestaan rechtvaardigen. Dat zou boete doen voor je zondige natuur, en je schaamte en zelfbewustzijn vervangen met natuurlijke trots en het oprechte vertrouwen van iemand die geleerd heeft opnieuw met God door de tuin te wandelen.

Je kunt beginnen door jezelf te behandelen als iemand voor wie je verantwoordelijk bent.

Regel 3
Word vrienden met degenen die het beste voor je willen

 

Mini-samenvatting

Waarschijnlijk ken je wel iemand waarvan je veel verwachtte, maar wiens leven een hel is geworden. Ze zijn in een negatieve zelfversterkende spiraal geraakt en sleuren iedereen om zich heen mee naar beneden. Deels wordt dat veroorzaakt doordat ze de verkeerde vrienden hebben. Deels zijn zij zelf die verkeerde vrienden.

Dergelijke losers helpen is niet eenvoudig. Ten eerste, omdat het niet altijd duidelijk is of je de ander werkelijk wilt helpen. Je mag er niet naïef van uitgaan dat je intenties altijd goed zijn. Ten tweede willen ze vaak niet geholpen worden. Ze willen de ander alleen maar deel maken van hun ellende. Dit soort vrienden dien je te lozen wil je zelf niet deel worden van hun misère.

In plaats daarvan dien je volgens Peterson vrienden te worden met mensen die het beste met je voor hebben. Die hun leven verbeteren, voor zichzelf en jou het beste willen. Met hen wil je vrienden worden, zodat jullie elkaar positief kunnen stimuleren.

Op het einde maak ik nog een kanttekening: hoe zit het met alle vrienden die daartussenin zitten? Wiens leven geen hel is maar die het wel best vinden?

[Invouwen]

Losers: de verkeerde vrienden

Jordan Peterson vertelt hoe hij is opgegroeid in een vreselijk koud dorp in Alberta. Dronkaards sneuvelden ’s nachts op straat in de winter en de poezen misten delen van hun oren en staarten. Als tiener viel er nauwelijks wat te beleven en iedereen die hoop had op een toekomst wist al vanaf zijn twaalfde dat die weg wilde.

Hij had daar twee jeugdvrienden, van wie je als kind verwachtte dat ze iets van hun leven gingen maken. Ze waren intelligent, grappig en knap, maar hun leven werd een hel. Ze werden cynisch, gingen met verkeerde vrienden om en raakten verslaafd aan alcohol en drugs. Het is een zelfversterkende negatieve spiraal waarvan de precieze volgorde onduidelijk is. Alle factoren werken op elkaar in. Eén van de twee pleegde rond zijn dertigste zelfmoord.

We kennen denk ik allemaal van dit soort mensen. Vol potentie, maar hun leven wordt een en al misère. Peterson vraagt zich af hoe dat heeft kunnen gebeuren:

Was het onvermijdbaar – een gevolg van hun eigen beperkingen, beginnende ziektes en trauma’s uit het verleden? Mensen verschillen immers aanzienlijk op manieren die zowel structureel als bepalend lijken. Mensen verschillen qua intelligentie, wat voor een groot gedeelte de mogelijkheid bepaalt om te leren en te veranderen. Ook hebben mensen verschillende persoonlijkheden. Sommigen zijn actief en sommigen passief. Anderen zijn angstig of kalm. Voor ieder individu dat gedreven is tot succes is er een luiaard.

Eenduidige conclusies kun je niet trekken. Wat je wel kunt constateren is dat dit soort mensen vaak een laag zelfbeeld hebben. Wellicht is dat deels de oorzaak dat ze vrienden om zich heen verzamelen die net zo naar de klote zijn:

Het is deels het lot. Het is deel onkunde. Het is deels … onbereid zijn te leren? Weigeren te leren? Gemotiveerd weigeren te leren? 

Een loser helpen: wat zijn je intenties?

Soms word je vrienden met een loser omdat je denkt dat je hem of haar kunt helpen. Volgens Peterson komen zulke gedachtes soms voort uit naïviteit. ‘Het is niet eenvoudig het verschil te zien tussen iemand die werkelijk hulp wilt en nodig heeft en iemand die slechts de willende helper gebruikt.’

Soms is het geen naïviteit, maar zelfs een narcistische wens waardoor je besluit een loser ‘te helpen’. Als ultiem voorbeeld haalt Peterson Aantekeningen uit het ondergrondse aan, een boek dat iedereen zou moeten lezen, van een van mijn favoriete schrijvers, Fjodor Dostojevski (naar wiens boek de idioot deze website is vernoemd). De hoofdpersoon, een ultiem cynische man, maakt zichzelf wijs zijn leven te hebben verbeterd en fantaseert dat hij een meisje kan redden uit de prostitutie. Ze trapt erin. Nadat hij met haar klaar is, is er werkelijk niets van haar over. Haar laatste greintje hoop is vernietigd.

Misschien is je wens om iemand te helpen dus helemaal niet eerlijk; is het een wens de ander net zo hard mee naar beneden te sleuren. Pas dus op, waarschuwt Peterson.

Volgens Peterson mag je er niet ondoordacht van uitgaan dat je vrienden wordt met een loser vanuit de beste intenties. Wellicht is je motivatie stiekem dat je het fijn vindt dat iemand afhankelijk van je is of kan je jezelf makkelijker als een deugdzaam mens beschouwen naast een loser. Hier is Peterson op zijn scherpst. Op geen enkel moment laat hij de lezer er onbedacht vanuit gaan dat deze al een goed mens is. Dat is te eenvoudig volgens hem. Ga maar gerust van het tegenovergestelde uit, tot je het tegendeel bewezen hebt.

Een loser helpen: ongelofelijk lastig

Wellicht heb je werkelijk goede intenties om iemand te helpen, dan nog. Het is verdraaid lastig. Voordat je iemand gaat helpen dien je erachter te komen waarom iemand in de problemen zit. Aannemen dat het louter komt door diens omstandigheden is te simpel. Bovendien vat je met die gedachte iemand op als een speelbal van de wereld, die er zelf geen enkele invloed op uitoefent. Zo ga je de ander begrijpen als iemand die geen macht kan uitoefenen op de wereld, in het verleden niet, nu niet en in de toekomst niet.

Het is veel waarschijnlijker dat het gegeven individu besloten heeft het opwaartse pad af te wijzen, omdat het moeilijk is. Wellicht zou dat zelfs je basisaanname moeten zijn als je met zo’n situatie wordt geconfronteerd. Dat is te streng, denk je. Misschien heb je gelijk. Misschien is dat een stap te ver. Maar overweeg dit: falen is eenvoudig te begrijpen. Geen uitleg hoeft te worden gegeven. Op dezelfde manier hebben angst, haat, verslaving, overspel, verraad en bedrog geen verklaring nodig. Het is niet het bestaan van ondeugdzaamheid, of het erin opgaan, dat verklaring nodig heeft. Ondeugdzaamheid is eenvoudig. Falen is ook eenvoudig. Het is makkelijk geen last te dragen. Het is eenvoudiger niet na te denken, niets te doen, niet te geven. Het is eenvoudig om tot morgen uit te stellen wat vandaag dient te gebeuren. En de komende maanden en jaren te verdrinken met het goedkope plezier van vandaag.

Hiermee stelt Peterson niet dat het onmogelijk is om iemand te helpen, maar benadrukt hij de ongelofelijke moeilijkheid. Het ligt er ook aan hoever iemand naar beneden is gedonderd. Het is eenvoudiger iemand uit de berm te trekken dan iemand uit de put te takelen.

Bereidheid om geholpen te worden van de gevallene is in ieder geval nodig. Peterson vertelt dat de rechter soms veroordeelde criminelen verplichtte bij hem langs te komen voor gedragstherapie. Dat werkte niet. Alleen als iemand geholpen wilt worden kan je pas werkelijk een poging doen. Probeer iemand maar eens uit een gat te trekken die dat niet wilt. Haast onvermijdelijk donder je er zelf bij in. Dit soort mensen zullen volgens Peterson:

een voormalige roker een sigaret aanbieden en een voormalige alcoholist een biertje. Ze worden jaloers als jij succes hebt of iets bijzonders doet. Ze zullen hun aanwezigheid of steun terugtrekken, of je er actief voor straffen. Ze zullen je prestatie overschreeuwen met een eigen prestatie uit het verleden, echt of verzonnen. Misschien zijn ze je aan het testen, om te kijken of je beslissing echt is, om te kijken of je oprecht bent. Maar voor het grootste gedeelte sleuren ze je naar beneden omdat jouw nieuwe verbeteringen hun eigen fouten nog zichtbaarder maakt.

Vrienden die niet geholpen willen worden, die je meesleuren in hun val, dien je daarom volgens Peterson maar te laten gaan. Het enige wat je kunt doen is je eigen leven op orde krijgen en het goede voorbeeld geven.

Peterson eindigt dit deel met een disclaimer:

En voor het geval het gezegd had moeten worden: niets van dit is een rechtvaardiging voor het in de steek laten van degenen die werkelijk hulp nodig hebben voor jouw beperkte, blinde ambitie.

Wederkerige vriendschap

Peterson schotelt de lezer ten slotte nog een gedachte-experiment voor:

Als je een vriend hebt wiens vriendschap je niet zou aanbevelen aan je zus, of vader, of zoon, waarom zou je voor jezelf zo’n vriend hebben?

Hier nam ik vijf minuten pauze om deze gedachte te overdenken. Ik raad je aan hetzelfde te doen.

Mijn antwoord was: uit loyaliteit. Maar volgens Peterson is loyaliteit niet een onvoorwaardelijk gegeven:

Vriendschap is een wederkerige overeenkomst. Je bent niet moreel verplicht iemand te steunen die de wereld een slechtere plek maakt. Precies het tegenovergestelde. Je moet mensen kiezen die dingen beter willen, niet slecht. Het is een goed ding, niet een zelfzuchtig ding, om mensen te kiezen die goed voor je zijn.

Peterson zegt dat als je jezelf omringt met mensen die werkelijk het beste voor je willen dat ze goed gedrag zullen stimuleren en het niet zullen pikken als je jezelf verwaarloost. Dit zijn mensen die ook het beste voor zichzelf willen. Ze willen de wereld een beetje beter maken.

Het is volgens hem niet eenvoudig je met succesvolle, positieve mensen te omringen. Nogmaals, succes is volgens hem datgene wat lastig is. Falen is eenvoudig. Maar jezelf omringen met andere mensen die opwaarts gaan is wel de manier om waardevolle wederkerige relaties aan te gaan, waarin je elkaar kunt helpen het leven een beetje beter te maken.

Oftewel, schrijft Peterson tot besluit, ‘word vrienden met degenen die het beste voor je willen.’

Kantekening: het schemergebied

Hij presenteert het héél zwart-wit, terwijl veel vriendschappen verkeren in het schemergebied. Als je merkt dat een vriend je alleen maar naar beneden trekt, de criminaliteit in bijvoorbeeld, dan is het beter de band te verbreken. Dat is duidelijk. Overigens is dit geen bijster nieuw inzicht – Aristoteles schreef dit vijfentwintighonderd jaar geleden al in de Ethica Nicomachae Boek IX.3.3. Als een vriend zijn geliefde net is overleden dien je hem niet in de steek te laten. Dat is eveneens duidelijk.

Maar hoe zit het met al die vrienden wiens leven niet richting de hel gaat, maar die eveneens niet bereid zijn keihard te werken om hun leven beter te maken? Zijn niet de meeste mensen veel meer zo? Tevreden met de status quo.

Allemaal nieuwe vrienden maken, die het beste met je voorhebben, zal in de praktijk altijd gevolgen hebben voor je huidige vriendschappen. Heel direct, omdat je minder tijd hebt, en minder direct, omdat je verandert.

Die oude vrienden zullen niet willen dat jij te veel verandert. Terecht, denk ik, vanuit hun perspectief. Je bent een vriendschap aangegaan met ze zoals jij toen was. Jij verandert en bent niet meer degene met wie zij vrienden zijn geworden. In die zin verliezen ze een vriend als jij te veel verandert. Je laat ze in de steek.

En waarom doe je dat? Omdat jij je leven niet goed genoeg vindt. En daarmee acht je tegelijkertijd hun leven, of in ieder geval hun vriendschap, niet goed genoeg. Jij wilt meer. Zij zijn niet genoeg.

Dit soort vriendschappen bespreekt Peterson niet. Hij doet net alsof iemand of heel duidelijk slecht voor je is, of heel duidelijk goed, maar over alles wat daar tussen in bungelt spreekt hij niet.

Dat je geen vrienden wilt zijn met zij die je naar beneden sleuren is dus duidelijk, maar al het andere is gecompliceerder dan Peterson ons voorhoudt.

[Invouwen]

Regel 4
Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met hoe iemand anders vandaag is

Mini-samenvatting

In dit hoofdstuk stelt Peterson dat we voorzichtig moeten zijn in onszelf vergelijken met anderen. Zulke vergelijkingen lijden vaak tot een verkeerd zelfbeeld. Een televisiester is dan wel rijk, maar heeft misschien wel een verslaving.

Toch zijn waardeoordelen niet slecht. Sterker nog, zonder waardeoordelen kunnen we volgens Peterson niet leven. Waardeoordelen zijn datgene wat ons in staat stelt ons de oriënteren in de wereld. Het zorgt dat we van A naar B gaan.

Maar hoe zorgen we ervoor dat we niet in de nihilistische valstrik trappen: dat ons oordeel over de werkelijkheid en onszelf zo hard is dat we menen dat alles slecht is en ons leven betekenisloos?

Daarvoor moeten we een sprong wagen, net doen alsof het leven goed is, of in ieder geval dat wij het leven een stukje beter kunnen maken. Dat begint met kleine zaken, dingen die opvallen, die je wilt verbeteren, kunt verbeteren en gaat verbeteren. Zo kan je iedere dag een stukje beter worden en jezelf vergelijken met wie je gisteren was, en niet met hoe iemand anders vandaag is.

[Invouwen]

Succes

Peterson constateert dat we op steeds grotere schaal leven en concurreren. Ooit was je de sterkste van je dorp of de beste musicus. Iedereen kende je. Nu dien je op zijn minst op nationaal niveau wat voor te stellen om er bovenuit te steken.

Dit kan leiden tot een slecht zelfbeeld. In vergelijking met anderen, op deze vergrote schaal, stellen je kwaliteiten waarschijnlijk weinig voor.

Daarom komen veel psychologen (en zelfhulpboeken) met zogenaamde ‘positieve illusies’, en praten ze over dat je zelfvertrouwen moet hebben, omdat je wel veel voorstelt, ook al denk je van niet, etc.

Gadverdamme.

Peterson vindt dit een vreselijke aanpak. Het doet net alsof het leven zo slecht is dat alleen misleiding je kan redden, dat je jezelf wijs moet maken dat je heel wat voorstelt omdat je het leven anders niet aan zou kunnen.

Wat we nodig hebben is het inzicht dat zulke vergelijkingen met anderen vaak zinloos zijn:

Er zullen altijd mensen beter dan je zijn – dat is het cliché van nihilisme, net als de uitspraak, Wie gaat het verschil merken in een miljoen jaar? Het juiste antwoord op een dergelijke bewering is niet, Nou, dan is alles betekenisloos. Het is Iedere idioot kan een tijdspanne nemen waarin alles betekenisloos is. Jezelf de irrelevantie in praten is geen diepgaande kritiek op het Zijn. Het is een goedkope truc van de rationele geest.

Dit betekent niet dat we af moeten van waardeoordelen. Gebouwen kunnen slecht gebouwd worden, broodjes slecht klaargemaakt. Er zijn genoeg mensen die een potje maken van hun werk. Zelfs iets als een boterham met pindakaas smeren voor je kind. Je kunt het brood zo hard met een mes bewerken dat het scheurt en de pindakaas onevenredig in klonten verdeelt zit of het rustig uitsmeren over het gehele oppervlak. Dat laatste is beter.

Bovendien zouden we zonder waardeoordelen niets doen. Iedere activiteit gaat gepaard met een waardeoordeel: je doet iets omdat je het de moeite waard vindt, ook al ben je je daar niet altijd van bewust.

Een deel van het probleem is volgens Peterson ons woordgebruik: ‘succes’ en ‘falen’. Ze impliceren een binaire tegenstelling. Of je hebt succes; of je faalt. Dat is veel te zwart-wit voor een complexe samenleving als de onze.

Bovendien leef je in talloze verschillende domeinen tegelijkertijd. Als we vergelijken, vergelijken we vaak in slechts één domein. Dat is weinig zinvol:

Je collega doet het beter op het werk. Echter, zijn vrouw gaat vreemd. Wiens leven is beter? Een beroemdheid tegen wie je opkijkt kruipt telkens dronken achter het stuur. Is zijn leven werkelijk verkiesbaar boven het jouwe?

Daarom moeten we voorzichtig zijn met wie we onszelf vergelijken.

Kanttekening

We dienen inderdaad voorzichtig te zijn. Dat betekent echter niet dat vergelijken met anderen zinloos is, alleen dat je niet je complete eigenwaarde ervan moet laten afhangen. Het kan wel zinvol zijn om te kijken of je talent hebt in je gekozen terrein, of dat je een ander pad dient te kiezen.

Een prachtig voorbeeld is de Calvé reclame van Pieter van den Hoogenband, ‘die echt niet kan voetballen.’ Gelukkig voor hem ging hij zwemmen.

[Invouwen]

Wat onze ogen zien

We maken volgens Peterson voortdurend waardeoordelen. We willen van A naar B. Dit heeft als voordeel dat we de staat van de wereld, of in ieder geval die van ons leven, kunnen verbeteren. Je wordt ’s ochtends wakker en voelt je vies en gaat douchen zodat je je weer schoon voelt. Je studie gaat klote en je gaat hard leren omdat je je hertentamens wilt halen.

Deze toekomstgerichtheid heeft één groot nadeel:

Omdat we altijd ‘wat is’ vergelijken met ‘wat zou kunnen zijn’, moeten we mikken op wat zou kunnen zijn. Maar we kunnen te hoog mikken. Of te laag. Of te chaotisch. Dus we falen en leven teleurgesteld, zelfs als het voor anderen lijkt dat we goed leven. Hoe kunnen we baat hebben bij ons voorstellingsvermogen, de mogelijkheid de toekomst te veranderen, zonder ons huidige leven continu te verafschuwen als onvoldoende succesvol, als waardeloos?

De eerste stap is volgens Peterson jezelf beoordelen. Als je een huis gaat kopen huur je iemand in die je wijst op de verborgen gebreken. Zo dien je dat ook te doen met jezelf. Hier kun je die interne criticus, het stemmetje dat je wees op al je tekortkomingen, inzetten. Deze zal je volgens Peterson wijzen op iets dat je in orde kunt maken, sterker nog: iets waardoor je je beter zult voelen als je dit in orde maakt. Dit kunnen hele praktische dingen zijn, zoals je kamer opruimen.

Dit klinkt wellicht eenvoudig, maar dat is het niet. Niemand kan zichzelf volledig de wil opleggen: hoe simpel zou het leven dan zijn?

Je zal moeten onderhandelen met jezelf en niet te veel van jezelf vragen. Anders wordt je een tiran over jezelf. En wie wil nou voor een tiran werken? Begin daarom met kleine dingen van jezelf te vragen:

Je wilt niet te veel op je schouders gooien in het begin, gegeven je beperkte talenten, gewoonte jezelf te bedriegen, de last van wraakgevoelens en de mogelijkheid verantwoordelijkheid te ontwijken. Dus zet je jezelf het volgende doel: aan het einde van de dag, wil ik dat mijn leven een klein beetje beter is dan in de ochtend. Dan vraag je jezelf, “wat kan ik doen, dat ik zou doen, en dat dat zou bereiken, en welk klein ding wil je als een beloning?” Dan doe je wat je besloten hebt om te doen, zelfs als je het slecht doet. En dan geef je jezelf die verdomde koffie, als overwinning. Misschien voelt het een beetje stom, maar je doet het toch. En je doet hetzelfde morgen, en de volgende dag, en de volgende. […] Dat is samengestelde rente. Doe dat voor drie jaar en je leven zal compleet anders zijn. Nu richt je op iets hogers. […] En waar je op mikt bepaald wat je ziet. Dat is een herhaling waard. Waar je op mikt bepaalt wat je ziet.

Peterson benadrukt dit punt met het befaamde “gorilla-experiment.”

Het gorilla-experiment

Voor degenen die het niet kennen: als deelnemer aan het experiment kijk je naar een scherm met basketballers. Er wordt je gevraagd te tellen hoe vaak de mensen met het witte shirt overgooien. Dus dat ga je tellen. Probeer het voor jezelf:

[Invouwen]
De uitkomst

Naderhand wordt er gevraagd of je de gorilla hebt gezien. Er is een grote kans dat je die niet hebt gezien en dat je denkt dat je in de maling wordt genomen.

Je mag het filmpje opnieuw bekijken, nu zonder het aantal keren overgooien te tellen. Je bent nu op zoek naar de gorilla. En warempel, na ongeveer een minuut verschijnt een man in een gorillapak en danst een aantal seconden vol in beeld. ‘Hoe kan ik die de eerste keer gemist hebben?’ vraag je jezelf af.

De conclusie van dit experiment? Je ziet wat je wilt zien.

Iets uitgebreider: Wat wij waarnemen, is afhankelijk van het doel dat wij hebben. Meestal zien we maar een heel klein deel van onze blik in hoge resolutie, de rest is vager, vaak zonder dat we dat doorhebben. Dat is efficiënt, qua energieverbruik. Als iets onverwachts verschijnt, dat direct datgene wat je waarneemt belemmert, zal je het wel waarnemen. In het gorilla-experiment was de bal voortdurend zichtbaar. Zowel de spelers als de gorilla belemmerde het zicht niet en daarom bleef je als kijker bezig met nauwe doel: de hoeveelheid keren dat er werd overgegooid tellen. Daarom zag je waarschijnlijk de gorilla niet.

[Invouwen]

Wat je wilt en wat je ziet

Dit experiment gebruikt Peterson als voorbeeld voor zijn algemene punt dat hoe wij omgaan met de wereld, wat wij waarnemen, altijd doel-afhankelijk is. De wereld is zo complex dat wij lang niet alles kunnen waarnemen. Dat zou te veel van onze vermogens vragen. Daarom is het doel dat wij bepalen zo belangrijk: het bepaalt immers wat we zien.

Als het leven klote lijkt heb je misschien het verkeerde doel gesteld. Dan is het volgens Peterson tijd voor een stap terug en jezelf af te vragen hoe je leven eruit zou zien als het beter zou zijn. Je zal dit waarschijnlijk niet volledig kunnen beantwoorden. Maar er zullen ongetwijfeld kleine concrete zaken zijn waarvan je wel weet dat die het leven zouden verbeteren. Begin dan daar.

Na verloop van tijd, nadat je die zaken hebt aangepakt, zullen er wellicht betere, hogere doelen verschijnen. Je kunt er als volgt over denken:

Begin met de constatering dat we dingen verlangen – zelfs dat we ze nodig hebben. Dat is de menselijke natuur. We delen de ervaring van honger, eenzaamheid, dorst, seksuele verlangens, agressiviteit, angst en pijn. Zulke dingen zijn elementen van Zijn – axiomatische oerelementen van Zijn. Maar we moeten deze oer-verlangens sorteren en organiseren, omdat de wereld een complexe en werkelijk bestaande plek is. We kunnen niet precies dat ene specifieke ding verkrijgen wat we nu willen, tegelijkertijd met al het andere dat we normaal gesproken willen, omdat onze verlangens in conflict kunnen komen met onze andere verlangens, en met andere mensen, en de wereld. Dus, we moeten ons bewust worden van onze verlangens, ze uitspreken, in de juiste volgorde zetten, in een hiërarchie. Dat maakt ze verfijndDat zorgt ervoor dat ze met elkaar samengaan, en met de verlangens van andere mensen, en met de wereld. Het is op deze manier dat onze verlangens zichzelf overstijgen. Het is op deze manier dat ze zichzelf organiseren in waardes en moreel worden. Onze waardes, onze moraliteit – zijn de indicatoren van onze wereldwijsheid.

Ethiek en religie

Peterson keert terug naar een thema dat hij al in de regel 1 aanstipte: dat de mensheid een lange tijd in een voorwetenschappelijke wereld heeft geleefd. We leefden in wereld van waarden, niet van objecten.

Je verlangens in de juiste volgorde zetten en ze laten samengaan met die van anderen en de wereld: dat is volgens Peterson wat religie ons biedt. Religie geeft geen empirische beschrijving van de werkelijkheid, maar vertelt allereerst welk gedrag juist is.

Voor sommigen betekent religie louter gehoorzamen aan een heilig schrift. We kennen allemaal de voorbeelden van verschrikkingen waar zulke dogmatische gehoorzaamheid toe kan leiden. Vandaar dat de Verlichting kwam, samengevat in het motto van Kant: sapere aude, durf te denken. Op dat moment wordt religie iets van het individu.

Gehoorzaamheid? We wantrouwen het. Discipline? We wantrouwen het. Zelf denken, daar zou het om draaien. En zelf bedenken we dat we God niet meer nodig hebben voor een objectieve beschrijving van de werkelijkheid. We flikkeren hem en al zijn waarden buitenboord.

Maar, en dit is Petersons cruciale punt, gehoorzaamheid, discipline, datgene wat sinds de Verlichting verdacht is geworden, is wel een belangrijk begin voor een goed leven. Dat zijn we volgens hem de afgelopen jaren vergeten:

Je kunt nergens op mikken als je compleet ongedisciplineerd en ongeleerd bent. Je zal niet weten waar op je moet mikken, je zult niet recht vliegen, zelfs als je op de een of andere manier goed mikt. En dan zal je concluderen, ‘Er is niets om op te mikken.’ En dan zal je verloren zijn.

Zonder gehoorzaamheid of discipline drijf je maar wat rond. Het enige wat je kan is wijzen op zaken die slecht zijn – het bestaan zelf misschien, vanuit jouw ervaring! – maar je hebt geen enkele manier om het beter te maken.

Volgens Peterson kan je daarom niet werkelijk atheïst zijn.

Kanttekening

Met atheïst bedoelt hij niet simpelweg iemand die niet gelooft in het bestaan van God, maar iemand die uit de afwezigheid van God afleidt dat alles geoorloofd is. Ik vind de term atheïst hier ongelukkig gekozen, beter had hij gezegd nihilist: iemand die meent dat niets van waarde is, dat goed en kwaad in geen enkele vorm bestaan.

Zijn gelijkstelling van een atheïst met een nihilist komt voort uit het idee dat religie datgene is wat waarde geeft aan de werkelijkheid, wat zegt wat het juiste leven is. Ik vind dit problematisch. Religie heeft inderdaad een normatief component: het schrijft voort hoe je moet gedragen. Echter, het heeft ook een descriptief component: het beschrijft hoe de werkelijkheid in elkaar zou zitten.

Peterson doet net alsof religie alleen dat eerste is: een ethiek. Religie is niet alleen ethiek. Kijk maar naar hoe serieus gelovigen bepaalde passages van het schrift, die de werkelijkheid zouden beschrijven, de afgelopen millennia hebben verdedigd.

Concluderend, ik vind de termen religie en atheïst bij hem verwarrend. Ik denk dat we beter kunnen spreken van ethiek en een nihilist.

[Invouwen]

Het nihilisme

Als voorbeeld van de onmogelijkheid van het atheïsme (of nihilisme, in mijn termen) refereert hij naar mijn geliefde Dostojevski, ditmaal naar Misdaad en straf (bol), waarin de hoofdpersoon, Raskalnikov, besluit zijn nihilistische overwegingen tot het einde te volgen en wat hij meent een rationele moord te plegen. Spoiler: hij kan niet met de daad leven.

Daarin zit de crux volgens Peterson. Als je kijkt naar je handelen ben je geen nihilist (atheïst, in Petersons termen). Je handelen verraad dat je waarde toekent aan allerlei zaken in het leven. Al is het maar eten om te overleven. Wat er veeleer aan de hand is dat je je niet bewust ben van je waardeoordelen. Daarvoor ben je te complex.

Dat is waarom er volgens hem religie is ontstaan. Religies zijn distillaties van levenslessen van tallozen die voor je tijd hebben geleefd. In je eentje kom je nooit tot al die inzichten. Je moet vertrouwen op de kennis van degenen die voor je leefden. Werken als de Daodejing en de Bijbelse verhalen dienen daarom als ethische gids voor het leven:

De bijbel is een bibliotheek bestaande uit vele boeken, elk geschreven en bewerkt door velen. Het is werkelijk een samengesteld document, een over duizenden jaren geselecteerd, in volgorde gezet en uiteindelijk coherent verhaal geschreven door niemand en iedereen.  De bijbel is omhoog gegooid, uit de diepte, door de gemeenschappelijke menselijke voorstelling, een product van onvoorstelbare krachten die werkten over onpeilbare tijdspannen. Zijn zorgvuldige studie kan op een onvergelijkbare manier aan ons zaken openbaren over wat we geloven en hoe we handelen en hoe we zouden moeten handelen.

De God(en) in de bijbel

Wat mensen volgens Peterson vaak opvalt is de onpersoonlijkheid van God in het Oude Testament. God geeft niet om de mens, vertelt alleen hoe je zou moeten handelen en zelfs dan gaat het nog vaak mis. Het Nieuwe Testament wordt vaak gelezen als een met een vriendelijke God, die meer is als een wijze vader.

Maar, vraagt Peterson zich af, is zo’n vriendelijke God wel realistisch? In een wereld waarin Auswitzsch kan ontstaan, waarin we bekend zijn met de gruwelheden waartoe de mens in staat is – jij en ik, maak jezelf niets wijs – kunnen we toch niet geloven in een algoede god? We kunnen toch niet meer geloven in een algoede werkelijkheid?

We dienen volgens Peterson te leven alsof die goede God bestaat, alsof die goede werkelijkheid mogelijk is, alsof het leven het waard is om te leven. Maar niet op een naïeve manier. We moeten niet de slechte kanten van de mens onderkennen, niet ontkennen dat we in staat zijn tot Auswitzsch. Echter, we dienen tegelijkertijd te onderkennen dat we altijd, overal in staat zijn de wereld een beetje beter te maken, ook in Auswitzsch (beaamt ook Viktor Frankl, die Auswitzsch overleefde).

Dat besluit begint bij jezelf:

Jij besluit de God van het Oude Testament, met al Zijn vreselijke en vaak willkeurig-ogende macht, te behandelen alsof hij ook de God kan zijn van het Nieuwe testament (ook al begrijp je dat dit op vele manieren absurd is). In andere woorden, je besluit te handelen alsof bestaan gerechtvaardigd kan worden door zijn goedheid – als jij je naar behoren zou gedragen. En het is die beslissing, die verklaring van existentieel geloof, die je in staat stelt het nihilisme en het ressentiment en de arrogantie te overwinnen. Het is dat geloofsbesluit dat de haat voor Zijn, met al zijn bijkomende kwaad, op afstand houdt. En, voor zulk geloof: het is helemaal niet de wil om te geloven in iets dat waarvan je perfect weet dat het onwaar is. Geloof is niet het kinderlijke geloof in magie. Het is de wil om je te richten op het onbereikbare, en tegelijkertijd de wil alles daarvoor op te offeren, inclusief (en als belangrijkste) je leven. Je moet je realiseren dat je, letterlijk, niets beters hebt te doen.

Kanttekening

Wat mij betreft kun je het hele bovenstaande areligieus begrijpen. De sprong, het existentiële geloof, waar Peterson het over heeft, maak je naar de werkelijkheid. Je accepteert dat de werkelijkheid indifferent is ten opzichte van ons bestaan en lijden (als de God van het Oude Testament) en besluit om vanaf dit moment te handelen alsof de werkelijkheid beter zou kunnen worden, als jij je steentje gaat bijdragen (als de God van het Nieuwe Testament).

[Invouwen]

Opletten

Dit deel is de conclusie, waarin Peterson terugkeert vanuit zijn abstracte Bijbelse analyse naar het begin van dit hoofdstuk.

Als je je aandacht richt op je omgeving zal je volgens Peterson onvermijdbaar zaken vinden die je kunt verbeteren. Het moet iets zijn wat je wilt oplossen en kunt oplossen. Misschien is het die stapel papier waarvan je het sorteren al weken uitstelt. Sommige zaken zijn te hoog gegrepen. Je wilt het misschien wel, maar kan het niet. Zoek dan lager tot je zaken vindt die je kunt oplossen, wilt oplossen, en los ze dan op. Zoals hij het hele hoofdstuk al herhaalt: begin dus klein.

Niet mijn tafel.

Iedere ochtend kun je bijvoorbeeld een lijst maken met zaken die je wilt verbeteren, kunt verbeteren en gaat verbeteren. Nogmaals, behandel jezelf hierbij niet als een slaaf van je wil. De tiran spelen werkt niet. Belangrijker dan dat die eerste dag perfect is, is dat je dag na dag je leven beetje bij beetje blijft verbeteren, en daarmee de wereld.

En zoals altijd eindigt hij met de regel:

Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, en niet met wie iemand anders vandaag is.


De komende tijd zal ik deze post updaten met de acht andere regels. Kan je niet wachten? Koop 12 regels voor het leven: een remedie tegen chaos bij een echte boekhandel, of bij Bol.

Nog niet genoeg van Peterson? Lees daarnaast wat hij te vertellen heeft over de kracht van het schrijven van essays: de moderne manier om jezelf te bewapenen.

Deze pagina bevat één of meerdere affiliate links. Lees wat ze zijn en waarom ik ze gebruik hier

Vind je dit interessant?

Ontvang elke maand interessante inzichten uit het verre verleden en opmerkelijke ideeën uit het heden.

6 comments

  1. Weliswaar een bevestiging van hoe ik de wereld reeds zag, maar wel een erg mooie verdieping en praktische invulling daarvan. Ik heb het boek besteld.

  2. Zijn sociale constructies volgens Peterson dan niet inherent aan de natuur? Of ziet hij deze dan als fundamenteel andere dingen? Hij lijkt met het voorbeeld met de kreeft het eerste te impliceren..

    1. Sociale ordeningen komen inderdaad voort uit de natuur, wat volgens mij impliceert dat het geen sociale constructen zijn. Als het sociale constructen zouden zijn, zouden het louter afspraken zijn. Volgens hem gaan sociale ordes veel dieper dan dat. Ze hebben o.a. hele diepe biologische oorzaken.

  3. Hoofdstuk drie was voor mij een zinvolle reflectie op waar mijn leven naar toe gaat. Al mijn vrienden zijn unieke mensen die allen op hun eigen manier absoluut aanbevelenswaardig zijn, maar keer ik de geest van het hoofdstuk binnenstebuiten, dan rijst de vraag of dat voor mij ook geldt en vooral zal blijven gelden. Ik heb er veel aan gehad.
    Dat Peterson in termen van uitersten spreekt is mijns inziens noodzakelijk om zijn punt duidelijk te maken, het aanbrengen van nuance is aan de lezer en vergt aanpassing aan zijn praktijk. Jij buit dit in je slotoverpeinzing perfect uit. Ga zo door, vriend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*